Familieverhaal Snoek

Een Snoek op reis van Amsterdam naar Curašao

In de zesde eeuw vˇˇr Christus begon de diaspora, een Grieks woord dat 'verspreiding' betekent. Joodse nederzettingen verlieten Palestina vanaf de val van het Koninkrijk Judah en de sluiting van de Eerste Tempel, door de inval van de BabyloniŰrs. Er begon een 'deportatie' op grote schaal en de joden werden naar BabyloniŰ (Irak) gestuurd. Na de oorlog wilden veel joden terug naar Palestina, maar door de inmiddels enorm toegenomen joodse bevolking was er niet genoeg ruimte in hun vroegere vaderland. Zij werden 'verspreid' over 127 provincies (volgens het Boek Esther) in het Perzische Rijk. Daarna ontstond een grote kolonie in Egypte, omstreeks de vijfde eeuw vˇˇr Christus. Door de culturele unificatie in het gebied Oost Middellandse Zee en mede door de verovering van Alexander de Grote vestigden zich talloze joden in diverse nederzettingen. Vanaf de tweede eeuw vˇˇr Christus trokken de joden naar SyriŰ en Klein AziŰ. In dezelfde periode begon de verovering door de Romeinen, waardoor de joden een meer Latijnse invloed kregen. In de diaspora vertrokken joden naar Spanje, Noord Frankrijk, het Rijnland (Duitsland) en Noord Afrika. Een belangrijk centrum van joden bleef in BabyloniŰ (Irak). Door de oorlogen tussen de islam (o.a. Turkije) tegen de Griekse/Romeinse volkeren in het Middellandse Zeegebied, trok de diaspora verder in de Middeleeuwen naar Noord en West Europa. Door de vervolgingen ('progroms') in Oost Europa, met name in Polen en Turkije, trokken uiteindelijk de meeste asjkenazische ('Hoogduitse') joden naar West Europa.

Serfardim en Hoogduitsen

Omstreeks 1600 vestigden zich in Nederland joden uit Spanje en Portugal. Onder hen waren veel rijke kooplui, dankzij hun betrekkingen met de Middellandse Zee-landen en de Nieuwe Wereld. De Sefardim zogenaamde 'Portugese joden', legden in Amsterdam de basis voor de diamant- en tabakshandel en de daarmee samenhangende industrie. In de zeventiende eeuw maakten de 'Portugezen' Amsterdam tot een beroemd centrum van Hebreeuwse typografie. In de achttiende eeuw waren het weer de 'Portugezen' die na een nieuwe techniek het handelen in effecten tot ontwikkeling brachten.

In het jaar 1670 werden in Amsterdam twee synagogen gebouwd, de Portugees-IsraŰlische Grote Synagoge bijgenaamd Snoge en de "Grote Sjoel" van de Hoog-duitse gemeente, een eenvoudig doch monumentaal bakstenen bouwwerk, ontworpen door Daniel Stalpaert. De grote Portugees-IsraŰlische Synagoge was het werk van Elias Bouwman. Toen het gebouwd werd, was het de grootste synagoge ter wereld. De Snoge heeft in opzet en ruimtelijke indeling onder meer als voorbeeld gediend voor de synagoge in Willemstad op Curašao, de oudste synagoge van geheel Amerika, in 1732 gebouwd onder leiding van Pieter Roggenburg en de Amsterdamse meestertimmerman Hendrik Schielagh. De Snoge is onderdeel van wellicht het meest indrukwekkende synagogencomplex van de wereld. In 1750 werd een Nieuwe Hoogduitse Synagoge gebouwd of 'Neie Sjoel'. Het gebouw werd ontworpen door G.F. Maybaum en in 1757 voltooid.

Snoge gezien vanuit de Jodenbreestraat, op een gravure uit de Fouquet-Atlas (1760-1783) De glorie van de Portugezen, waarvan de prachtige monumentale Portugees-IsraŰlische Grote Synagoge bij het Jonas DaniŰl Meyerplein getuigt en die vernoemd is naar de grote joodse rechtsgeleerde (1780-1834) in Amsterdam, zou de indruk kunnen wekken dat alle leden van de 'Portugese Joodse Natie' rijk waren. Maar er waren ook veel armen onder de Portugese joden. In de achttiende eeuw ging Amsterdam door de malaise in de internationale handel achteruit en vele Sefardim kregen financiŰle problemen. Zo bleek dat in 1799 liefst 54 procent van deze Sefardim van de bedeling leefde. De Sefardische joden effenden in Amsterdam het pad voor de asjkenazische of hoogduitse joden, in hoofdzaak afkomstig uit Duitsland (Rijnland) en Polen. De asjkenazische joden vestigden zich voor het eerst in Amsterdam in 1620, ongeveer een kwart eeuw na de komst van de Sefardim. In 1621 telde de gemeenschap van de grote hoogduitse synagoge in Amsterdam al 7500 leden en was toen al ongeveer driemaal zo groot als die der Sefardim. Bij de volkstelling in maart 1796 waren er in Amsterdam ruim 20.000 hoogduitse joden tegen 2800 Portugese joden. Dat waren er dus ruim zeven keer zoveel Asjkenazim als Sefardim in Amsterdam. De gehele bevolking in Amsterdam telde toen ongeveer 200.000 zielen. De hoogduitse joodse families uit de zeventiende en de achttiende eeuw kregen sneller een welvarend maatschappelijk aanzien vergeleken met de Sefardim. Door hard werken klommen ze op van de grond tot aan de top. De Asjkenazim hadden weliswaar minder economische mogelijkheden dan de Sefardim en waren vooral aangewezen op handel in tweedehandse goederen en straathandel en op markten. Maar ze moesten blijven 'pinaren': twee van de drie hoogduitse joden leefden aan het eind van de achttiende eeuw van de 'bedeling', dat wil zeggen de joodskerkelijke liefdadigheid.

Klezmerim

De Asjkenazische joden die uit Duitsland kwamen, hadden in de 17de eeuw muzikale ensembles: Klezmerim. De term is afgeleid van het Hebreeuwse kli zemer, oftewel 'muziek instrument' en in het meervoud de naam geworden van ensembles van joodse musici, die tot bloei kwamen in de tweede helft van de 17de eeuw in Centraal- en Oost-Europa. Het waren muziekgroepen die familiefeesten en belangrijke sociale evenementen opluisterden. Aanvankelijk veelal samengesteld uit amateurs, werden zij gaandeweg steeds professioneler. De musici werden alom bekend om hun veelzijdigheid en om hun virtuositeit. Zij werden niet alleen in joodse, maar ook in niet-joodse kringen populair. Hun instrumentarium bestond zowel uit strijk- als blaasinstrumenten, met als meest karakteristiek anker de cymbalom. De muziek varieert van elegische melodieŰn tot frivole dansen, omdat zij niet alleen aan processies en plechtige gebeurtenissen deelnamen, maar ook op kermissen optraden en in herbergen speelden. Zij verrijkten hun aanvankelijk joodse repertorium met liederen en dansen uit de landen waarin zij optraden. Wie vandaag een klezmerim groep hoort, zal een verwantschap aan de zigeunermuziek niet ontgaan. De virtuoze zigeuners hebben namelijk de volksmuziek van de landen waardoor zij trokken, overgenomen en met versieringen overladen, zoals zij in Spanje de canto hondo hebben omgewerkt tot de canto flamenco. Zo zijn de klezmerim ook een bron van inspiratie geweest voor de zigeuners. Ook in een csardas is de cymbalum niet weg te denken. Het is een trapeziumvormig instrument. Voorouder van de cymbalum is het hakkebord of dulcimer, ook trapeziumvormig, maar veel kleiner en evenals de zither een tokkelinstrument. De beroemde virtuoos op het hakkebord, Pantaleon Hebenstreit ontwierp een groot hakkebord, waar aardig wat meer geluid uit kwam. Op deze naar hem genoemde pantaleon wordt nog altijd getokkeld.

In 1663/64 werd Amsterdam geteisterd door een pestepidemie, die in het oosten begon en verder trok naar de Noordzeekusten. Alleen al in Amsterdam werden meer dan tienduizend slachtoffers - bijna tien procent van de bevolking - geregistreerd. In augustus 1664 verbood Karel II dan ook alle handel met Nederlandse havens. Daardoor werd de Nederlandse handel zwaar getroffen, met name in Amsterdam. Karel II was zeer bijgelovig. Hij was er zeker van dat kometen de voorboden waren van grote, gruwelijke gebeurtenissen. Omstreeks Kerstmis 1665, bij de verschijning van de eerste 'Komeet' waren duizenden mensen ondanks de kou naar buiten gegaan om te kijken naar het verschijnsel. Pestgenezers, pillenverkopers en sjacheraars in drankjes, poeders en smeersels begonnen nu de rijke bodem van de angst te ontginnen. Een 'eminente Hoogduitse (joodse) medicijnmeester uit Amsterdam zei dat hij in ItaliŰ honderden mensen had genezen.

De familie Snoek kwam vermoedelijk uit het Rijnland, Duitsland. De eerste bekende Snoek in Amsterdam was Isaac Snoek. Met wie hij getrouwd was is niet bekend maar hij kreeg twee zoons: Elias Isaac Snoek en Leendert Isaac Snoek. Van Elias zijn drie kinderen bekend en van Leendert drie zonen en ÚÚn dochter. Zijn oudste zoon, Levie Leendert (geboren rond 1683) trouwde op 14 augustus 1706 in Amsterdam met Catharina Hijmans Hagenau (geboren rond 1689). Levie Leendert was toen 23 jaar oud en woonde in de wijk Uylenburg. Catharina was 17 jaar oud en ook zij woonde in Uylenburg. Bij het huwelijk waren als getuigen vader Leendert Isaac Snoek en de moeder van Catharina, Betje Salomons. Het echtpaar kreeg vier kinderen: Isaac Levie, Bele/Bonele Levie, Jacob Levie en Mozes Levie Snoek.

Jodenbuurt in Amsterdam Vrijwel alle Amsterdamse joden vestigden zich vrijwillig in ÚÚn bepaalde buurt, met als centrum het tegenwoordige Waterlooplein. Eind achttiende eeuw was de oppervlakte van deze zogenaamde 'Jodenbuurt' beduidend kleiner dan in het begin van de twintigste eeuw. Zo werd de Sint Antoniebreestraat nog hoofdzakelijk door christenen bewoond. Alleen het stuk Weesperstraat, dat direct grensde aan de toenmalige 'Deventer Houtstraat', had de joodse meerderheid. Met een versleten oude handkar moest een weduwe om vier uur 's nachts naar de groentemarkt om inkopen te doen. En dan kwam ze rond negen uur 's avonds pas weer thuis. "Als er geen geld was, dan hadden we ook geen ontbijt, want dat was er niet bij'', vertelde een jood in die jaren over de straathandel.

In de Jodenbreestraat en de Sint Antoniebreestraat waren alle winkels open op de zondagmorgen. Men kon er van alles kopen: de vleeswinkel, de kippenwinkel, de broodwinkel, de snoepwinkel, de gebakjeswinkel, stoffenzaken enz. In de Visstraat stonden mensen met fruit en vis. Op de markt stonden zeker zo'n dertig tot veertig standwerkers met allerlei handel, van speelkaarten tot een fluitje. In de Uilenburgerstraat verkocht een man met zijn vrouw allerlei soorten chocola, met als specialiteit nogablokken. Die twee deden de hele ochtend niets anders dan zingen: 'Twee centen m'n nogablok! en weer: 'twee cent m'n nogablok'. "Op een beroemde markt in de Jodenhoek stond eigenlijk de hele elite van standwerkers op de zondagmorgen. Daar kon je van de een naar de ander en blauw liggen van het lachen. Daar waren ze echt bezig zich te leven. Het publiek kwam daar op af vanwege een brok amusement, dat in de hele wereld niet te koop was. Ze gaven een kwartje en kochten van een ander voor een dubbeltje. Dat waren allemaal semi-artiesten. Dat publiek had dan een paar gulden de man bij zich, die ze op zo'n zondagmorgen uitgaven aan een pak scheermesjes, terwijl ze kastenvol messenslijpers hadden. Van allerlei gekke dassenhouders hadden ze er wel vijf of zes".

Sigaren en diamanten

De meeste mannen in Amsterdam zochten werk als sigarenmaker of als diamantslijper. De lonen waren bijzonder laag en als er werd gestaakt, kreeg men geen geld. Toch moest er weer brood op de plank komen. Dus huurde een diamantslijper een stalletje op de Nieuwmarkt en zette daar zijn eigen boeken neer om te verkopen. Een joodse jongen, als hij een beetje vroom leefde, werd opgevoed met boeken. De joden moesten vreselijk veel lezen wilden ze hun geloof belijden. Veel meer dan de christelijke godsdienst werd er door leken bij de joden gelezen. Ze hebben altijd een binding met het boek als zodanig gehad. Daarbij kwam natuurlijk ook dat de handel in boeken altijd een vrije handel is geweest. Wel was er een gilde van boekhandelaren, maar dat waren geen tweedehands-boekhandelaren. De oude boeken, de gebruikte boeken, de tweedehands boeken, de fruithandel en de vishandel waren van oudsher vrij.

De Rapenburgstraat was een bijzondere straat, eigenlijk het centrum van de Amsterdamse joden. Daar was het seminarium, het rabbinaat, verder de joodse fr÷bel- en kleuterschool en een koosjere wijnhandel. Daar stond het Nederlands IsraŰlische Meisjesweeshuis en in de Rapenburgstraat was ook Beth Ha Midrash, een gebouw waar iedereen kon studeren.

In de Napoleontische tijd werden de joden gedwongen een naam aan te nemen, want die hadden ze vaak niet. Bijvoorbeeld Aron Arons Terveen had eerst een vˇˇrnaam en dan als achternaam de voornaam van de vader. Bijvoorbeeld Mordechai Ben Mordechai, dat is in het Nederlands: Aron Arons zoon. Op een gegeven moment werd er een licentie verleend om band of lint te venten in Amstelveen en werd er over de persoon gezegd: Hij ventte in het plaatsje 'Veen'. Daaruit ontstond de achternaam Terveen. Heijman Levie was bijvoorbeeld simpelweg de vader van Levie Heijman en zou, nemen we aan, een viswinkel in de Houtstraat hebben gehad. Omdat hij een 'echte' achternaam moest hebben, werd hij dan Heijman Levie Snoek, een naam die toen paste bij zijn beroep als visverkoperů.

De naam Snoek werd officieel geregistreerd vanwege het keizerlijk decreet van 18 augustus 1811 waarbij iedereen in Nederland werd bevolen binnen een jaar een geslachtsnaam aan te nemen. Velen namen dit bevel niet ernstig op en kozen namen die hun nageslacht dikwijls in grote verlegenheid hebben gebracht. Anderen gaven er in het geheel geen gehoor aan. Bij decreet van 17 mei 1813 werd de termijn daarom verlengd tot 1 januari 1814 en bij Koninklijk Besluit van 5 november 1815 werd het bevel, onder strafbedreiging, nog eens herhaald.

Levie Heijman Snoek

Levie Heijman Snoek werd op 13 oktober 1830 om tien uur 's morgens geboren in Amsterdam. Zijn vader, Heijman Levie Snoek, geboren op 6 november 1802, was toen 28 jaar oud, kruidenier van beroep en woonde aan de Oude Herengracht no. 5 in hartje Amsterdam. Hij deed de volgende dag aangifte van de geboorte en nam als getuigen mee Isaac B. de Metz , 55 jaar, venter en Andries Simon, 44 jaar, zonder beroep. Zijn voorouders woonden reeds heel lang in Amsterdam. Levie Heijman had een zus Sara Snoek die op 19 juli 1829 was geboren. Levie Heijman Snoek groeide op in een milieu van kooplui. Zijn vader Heijman Levie (volgens traditie kregen de vader en oudste zoon om de beurt de naam in omgekeerde volgorde) was eerst 'bediende', werd later kruidenier. De joden handelden in vee, textiel. koffie, thee, chocolade, tabak, snuif, lorren, huiden, goud, zilver, horloges, brillen en vele andere zaken, soms in een, maar meestal in meerdere artikelen. Dikwijls hadden ze zowel een winkel aan huis als een pak waarmee ze langs de huizen gaan. Ze verkochten in hun eigen woonplaats en ook ver daarbuiten. Sommigen waren aktief als slijter en venter van loten. In deze periode is er ook sprake van joodse kwakzalvers, kruidenverkopers en van een tandentrekker op de markt. Ofschoon joden volgens de officiŰle verordeningen geen lid mochten worden van de gilden en daardoor van veel beroepen werden uitgesloten, was het beleid in de praktijk vaak soepel.

De arme joden in de Amsterdamse Jodenbuurt waren over het algemeen 'voddenhandelaar', textielverkoper, marskramer, vis- en of groenteverkoper. Daarnaast waren er vaklui zoals schoenmakers, timmerlieden, smeden enz. Het leven in Amsterdam was zwaar voor de joden, lange werkuren, schamele inkomsten, diverse ziekten en vaak grote gezinnen. Maar vader Levie Heijman Snoek had kontakten in de handel en het gezin had het niet slecht. In het begin van de achttiende eeuw werd er druk gehandeld in de zaken aan de Herengracht en Rapenburgerstraat. Uit Amsterdam stuurden handelshuizen allerlei goederen naar Curašao. De schepen brachten o.a. bier, jenever, brandewijn, kleding (uit heel Europa) en meubels. Heijman Levie kocht en verkocht allerlei producten, waarmee hij een aardig centje verdiende.

De grootvader van Levie Heijman van moeders kant, Salomon Benedictus Berclou werd geboren in 1762 en overleed op 10 mei 1838, 72 jaar oud. Hij was getrouwd met Marianne Jacob Francis. Salomon was van beroep schoenmaker, een beroep waarvan men in die tijd goed kon rondkomen. Samen met zijn zoon Jacob Salomon Berclou had hij een drukke schoenmakerij. Later kwam zoon Benedictus in de zaak. Zij woonden toen aan de Nieuwe Kerkstraat in Amsterdam. Dochter Elisabeth Salomon Berclou was geboren op 9 mei 1805 en op 22 augustus 1827 met Heijman Levie, zoon van Levie Heijman Snoek, getrouwd. Getuigen waren bij het huwelijk Marianne Francis, Jacob Samuel Bernard (67) onderwijzer en Barend Jacob Bernard, diamantwerker. Barend was getrouwd met Rebecca Salomon Berclou, een zus van Elisabeth.

Geen zitvlees

Levie Heijman had geen 'zitvlees' en op een goede dag besloot hij op avontuur te gaan, de wijde wereld in. In Amsterdam had hij geconstateerd dat er mogelijkheden waren om handel te drijven tussen Nederland en West IndiŰ. Hij had gehoord dat diverse jongemannen gingen varen of als militair naar West IndiŰ gingen. Dat was sinds de vrijdom die de joden in Nederland kregen van Napoleon om zich vrij te vestigen, handel te voeren en te gaan varen. Velen, vooral joodse jongemannen, tekenden voor de krijgsmacht om te kunnen vertrekken, gezien de moeilijke sociale situaties in de 'Jodenbuurt'.

Speelkaartenmaker In 1851 woonde hij nog bij zijn ouders in de Rozenboomsteeg te Amsterdam. Van beroep was hij speelkaartenmaker. Speelkaarten werden in die jaren gedrukt in kleur op lithografische persen. Op 3 augustus werd hij uitgeschreven want hij had zich gemeld als milicien bij het 2de Regiment Infanterie, op 7 mei 1852. Hij was vrijwilliger en werd 'verwisseld' voor ene 'Barend Willem van Straten', want in die jaren had men de toestemming nodig van de autoriteiten om te ruilen met een andere jongeman. Als volontair werd hij 'reserve' onder nummer 2825. De dienstplicht was toen niet persoonlijk. Hij die bij de loting een laag nummer trok en was goedgekeurd, kon er bijna zeker van zijn dat hij binnen niet al te lange tijd een oproep voor actieve dienst kon verwachten. Precies een jaar later op 15 mei 1853 zwaaide Levie af op 23-jarige leeftijd. (uit Soldatenboek van het Centraal Historisch Archief Curašao). Levie Heijman tekende opnieuw als militair, maar nu voor het 'Koloniale Depot', met een contract van zes jaar.

Op 3 april 1855 stierf zijn moeder, Betje Berclou. Zij was toen 50 jaar oud en overleed 's morgens om acht uur in het huis aan de Lange Leidse Dwarsstraat no. 344 in Amsterdam. Aangifte werd op dezelfde dag gedaan door Hijman Levie Snoek, kaartenmaker, 52 jaar oud, wonende in het sterfhuis, man van de overledene en Jacob Salomom Berclou, schoenmaker, 54 jaar, wonende Kerkstraat W 400, broeder van de overledene. De akte werd niet ondertekend door de aangevers vanwege het Joodse paasfeest.

In 1858 werd Levie Heijman Snoek korporaal, met een premie van honderd gulden, nadat hij had aangeboden om naar West-IndiŰ te gaan. Hij vertrok naar Den Helder en werd gekeurd in de kazerne op de basis van de Mariniers. In zijn gegevens stond exact dat hij '1 ellen, 6 palmen, 7 duimen en 8 strepen' lang was, een hoog voorhoofd had, bruine ogen, een kleine neus, een ronde kin en bruin haar. Levie Heijman wilde graag naar Curašao. Dat eiland had een contingent van ruim 250 manschappen (Jagers en Artilleristen) en 20 officieren en had geregeld 'nieuw bloed' nodig, voor de bescherming in diverse oorlogen tegen Spanje en Engeland en revoluties en politiŰle acties met Venezuela.

Levie nam afscheid van zijn vader en op 30 mei 1858 ging hij in Nieuwendiep bij Den Helder, aan boord van het schip de 'Elisa'. Een reis van Amsterdam naar Curašao was in die tijd geen pretje. Op een zeilschip duurde het minstens zestig dagen en men kon de pech hebben in fikse stormen terecht te komen op de Noordzee en de Atlantische Oceaan. Van tevoren werd er gewaarschuwd voor de vele gevaren. Niet zozeer voor de stormen of de oorlogen of het kapen van schepen in het Caribische gebied, maar vooral voor diverse epidemieŰn. De kapitein wees erop dat op een bepaald moment, bij een epidemie in het Garnizoen op het Fort in Willemstad in 1803, het grootste deel van de militairen aan de gele koorts was gestorven. En in 1818 waren er alleen al op de schepen 177 dodelijke gevallen van vrouwen en kinderen die de reis meemaakten, overleden aan diverse ziekten en omdat ze slecht voedsel kregen. De tocht ging via Suriname, om daar een aantal militairen af te zetten, die ondergebracht werden bij het Nederlandse Garnizoen in Paramaribo. Het was redelijk weer op zee en op 20 juli 1858 zag hij voor het eerst het oerwoud met metershoge bomen langs de kust.

Paramaribo

Het stortregende toen de 'Elisa' via de Suriname-rivier binnenvoer naar Paramaribo. Bij het Fort Zeelandia zag hij de grote kanonnen en er werd gezwaaid naar de passagiers op het schip, voornamelijk militairen. Levi moest eerst even bijkomen van de tocht van anderhalve maand. Hij werd ingekwartierd in het Fort Zeelandia en maakte geregeld een wandeling in de stad van Paramaribo ondanks de vochtige hitte. Hij wandelde met zijn vrienden in Paramaribo en keek met verbazing met de drukte gekleurde bevolking aan de waterkant. Op de markt kocht hij vruchten die hij niet kende en ze smaakten best. Op zaterdag maakte hij gebruik van om naar de synagoge te gaan en na afloop maakte hij kennis met een Surinaamse vriendelijke joodse man, Abraham de Mezas. Hij sprak vloeiend Nederlands maar hij kende ook de taal 'Djoe Tongo', een Jodentaal van de Amsterdamse-Portugese joden die in de zeventiende eeuw uit BraziliŰ naar Suriname verhuisden. Abraham legde uit dat op de plantages Nigre Tongo (Neger-Engels) werd gesproken toen vele Engelse planters daar woonden en werkten en zij communiceerden met de slaven. Toen de Portugese joden zich daar vestigden, werd er Portugees-Hollands gesproken met de negerslaven en uit dit mengproces ontstond een Nieuw Creoolse Djoe Tongo (van het Engelse woord jew).

Na een maand in Paramaribo, op 21 augustus kon Levie Heijman eindelijk aan boord van de schoener 'Coronie' op weg gaan naar Curašao en tien dagen later op 31 augustus zag hij de zuidoost kust van het eiland Curašao. Samen met 21 militaire kameraden aan boord kwam hij de Anna Baai binnenvaren en ontwaarde meteen al aan de rechterkant het grote Fort Amsterdam, zijn nieuwe 'huis' in het Garnizoen. Verbaasd was hij over het grote aantal en de verschillende soorten schepen. De trossen werden aan de Handelskade vastgelegd en op wankele 'zeebenen' kwam hij aan wal. Met zijn kameraden ging hij meteen in 'quarantaine' om een paar weken door te brengen en zo het gevaar van een epidemie te voorkomen.

In 1855 was er een choleradreiging. Die verspreidde zich gelukkig niet, maar wel ontstond er een gele koorts epidemie. In het hospitaal stierven in een maand talloze zeelui en militairen die aan waren gekomen uit Nederland met schepen als de 'Arend', de 'Lynx' , de 'Medusa', 'Kenau', 'Hasselaar', 'Ceres' en de 'Pallas'. Van de 150 opvarenden van de 'Pallas' waren er 135 ziek en stierven er in totaal 33. In een verslag van commandant Jhr. H.J. de Vajness van Brakell van de 'Lynx' staat vermeld dat er gele koorts uitbrak op weg van St. Eustatius naar Curašao. Dertien manschappen, onder wie luitenant ter zee Pomp van Meerdervoort lieten daarbij het leven. Jhr. de Vayness schreef dat de 'Lynx' 42 dagen nodig had om van Curašao tegen de wind en stroom in Suriname te bereiken.

In de Napoleontische jaren stierven velen door de gele koorts (yellow fever, verspreid door de mug 'AŰdes Aegypti) ook wel 'de vriend der CurašaoŰnaars' genoemd. Het was een dreiging voor alle nieuwkomers uit Europa. Vanuit het Caribische gebied verspreidde de ziekte zich via de schepen naar Noord-Amerika (tot in New York). Levi Heijman en de andere militairen uit Amsterdam gingen 'in quarantaine' in het Militaire Hospitaal op Mundo Nobo, het gebouw dat veel later het Curašaos Museum werd. Ruim een maand later konden ze eindelijk naar het Garnizoen in het Fort Amsterdam. Hij was aangenaam verrast over de Nieuwe 'Willem III' kazerne die in datzelfde jaar was afgebouwd. De kazerne met een moderne 'ziekenboeg' en een ruime nieuwe kantine bood plaats aan 178 personen. De oude kazerne werd veranderd in een school voor militairen om er les te geven. De krijgsmacht bestond uit een compagnie infanterie, zes officieren en 207 minderen en een compagnie artillerie met 5 officieren en 124 minderen. Voorts waren er vier officieren van gezondheid waarvan een van hen als dienstdoende militairapotheker. De militaire dienst als Artillerist vond Levie niet zwaar: wachthouden, de kanonnen en andere wapens schoonhouden en de voorraden wapens en munitie controleren en aanvullen. Er bleef genoeg tijd over om de 'stad' Punda te gaan verkennen, een dichtbebouwde 'vesting' met smalle straatjes vol huizen en winkels. Hij genoot het meest van de Handelskade, de drukke kade waarlangs talloze grote en kleine schepen afgemeerd lagen en het lawaai van het lossen van kisten, dozen en vaten.

Rond 1850 deden er niet minder dan 450 schepen de haven aan: grote schepen, brikken, goletten, barken, 'fluiten' en 'faluches'. De Nederlandse schepen brachten tonnen vol voedsel mee, van zoutvlees en droge vis tot bonen, erwten, enz. Daarnaast kisten vol kleren, stoffen, hoeden en in grotere kisten zelfs meubels, die vooral waren bestemd voor de joodse handelaren in Punda. In grote karren met paarden of ook met mankracht werden de spullen door sterke vrijgemaakte slaven gebracht naar hun winkels en naar de magazijnen. In de jaren vijftig had Curašao ruim 10.000 inwoners, van wie 5000 'vrijen' en 2500 slaven. Er was behoefte aan meer ruimte in de Punda, dus werden de oude vestingen en de poorten afgebroken en werd het puin gestort om het waaigat te dempen richting Scharloo om zo de De Ruyterkade aan te leggen. De wijk Pietermaai (genoemd naar Pieter de Mey) werd toen opgericht met fraaie herenhuizen langs het water. Levi Heijman wandelde langs 'De Gezelligheid', de mooie sociŰteit van zowel joden als Nederlandse protestanten die er kwamen voor een borrel in de late middag en om te kletsen of zaken te doen, door naar de wijk Scharloo met de prachtige patricische huizen van de rijke joden. Maar ook bracht hij zijn eerste bezoek aan de Snoa, de oudste Synagoge van het westelijk halfrond, gedateerd uit 1732. Het herinnerde hem aan de grote Synagoge in Amsterdam met het zand op de vloer, de prachtige houten inrichting, de kristallen chandeliers met kaarsen, de schitterende 'banca', de baldakijn van de Parnassim (het bestuur van de congregatie) gemaakt van donkerbruin mahoniehout. En als hoogtepunt de 'Hekhal', gemaakt door meester-meubelmaker Pieter de Mey, met daarin de heilige rollen van de Torah die bij de diensten op de Sabbat opengaan en hij was ontroerd bij het zien van 'zijn' Synagoge en hij dacht aan zijn familie in het verre Amsterdam.

Otrobanda

Een paar dagen later ging hij 's middags verder met zijn Curašaose verkenning. Otrobanda was voor hem een openbaring. Bij de oversteek in een vrij groot pontje (de schipbrug was er toen nog niet) zat hij zoals dat hoorde 'deftig' in zijn uniform en hield zijn hoge militaire pet stevig vast om te voorkomen dat die door de flinke bries in de Annabaai terecht zou komen. De 'Awasß', het Brionplein was een grote ruimte waar de Sint Martinusschool van de Zusters Franciscanessen van Roosendaal al stond en waar de meisjes het onderwijs volgden. Vlak daarnaast een kleiner gebouw, de school voor jongens van Bernardus Huycke, een onderwijzer die door tussenkomst van Mgr. Nieuwindt in 1844 naar Curašao kwam.

Na het vrijgeven van Otrobanda voor bebouwing in 1707 kwamen er in 1732 joodse families die er gingen wonen. Er werden gebedsdiensten gehouden in een huis dat verbouwd was tot synagoge. Zij gaven het in het begin de naam 'Beth Shemuel' (Huis van Samuel). Later werd de naam 'Neve Salom' (Huis van de Vrede). De 'synagoge' stond op de hoek van de Breedestraat (no. 129) en de Rifwaterstraat. Het huis werd gekocht voor rekening van de Joodse gemeenschap van Catharina Anthony met als gemachtigde Policarpus Overlijn voor het bedrag van 2250 peso. De akte werd op 3 mei 1746 getekend door secretaris Pottey van de WIC (akte OAC 817).

Brion

In de Breedestraat nam Levie een kijkje in de toen honderdjarige kerk Santa Anna. Ofschoon hij geen katholiek was, bekijkt hij de beelden, het altaar en het orgel met veel belangstelling. Hij had over admiraal Pedro Luis Brion gehoord, een oorlogsheld in de burgeroorlog die samen met Bolivar tegen de Spanjaarden streed. Daardoor wist hij dat Brion in deze kerk gedoopt was, maar hij wist nog maar weinig van de geschiedenis van Venezuela. Hij kreeg het warm en besloot verfrissing te zoeken in een shap (kroeg) in de Breedestraat, er een biertje te drinken om zijn dorst te lessen. Een walm van sterke drank sloeg hem tegemoet. Het was druk aan de tap, er stonden geen tafels en stoelen en de mannen stonden om een praatje te maken. ''Dit zijn de echte serieuze drinkers'', dacht hij en observeerde ze en zag dat ze het liefst een goedkope witte rum dronken, 'r˛m koriente' die ze in ÚÚn slok achterover sloegen. Als er geld genoeg was namen de mannen een goede Hollandse jenever, een 'jonge' of een 'oude' in bruine stenen butishi's (kruiken). Levie Heijman hoefde niet zo nodig, hij was geen echte drinker en kwam uit een strenge joodse familie in Amsterdam. Zijn eerste biertje kreeg hij aan boord op reis naar Curašao. Hij vond het eerlijk gezegd niet lekker, maar aangemoedigd door zijn militaire kornuiten had hij het toch opgedronken.

Levie Heijman Snoek In de shap raakte hij aan de praat met een blanke jongeman met een door de zon gebruind gezicht, die vroeg waar Heijman vandaan kwam en hem vertelde dat hij 'schutter' was. Zijn vader die een plantage bezat in de knoek had hem in de militaire dienst gedaan bij de Schutterij omdat hij niet naar school wilde en liever ging spijbelen en jagen op leguanen en vogels. Pieter heette hij, maar iedereen noemde hem Pedro, dat paste beter in de knoek vond hij. De zestienjarige Pedro vond het prachtig in dienst, ver van Papai met zijn strengheid die hem geregeld een pak slaag met de riem gaf als hij weer kattenkwaad had uitgehaald. Levie leerde zijn eerste papiamentu woorden: vloeken en vieze woorden. Pedro beloofde dat ze naar de knoek zouden gaan zo gauw ze allebei een lang weekend vrij hadden van het Garnizoen.

Levie Snoek was helemaal gewend geraakt aan zijn leven op Curašao. Hij werd in 1860 bevorderd tot sergeant en maakte veel vrienden in het Garnizoen. Samen gingen ze 'stappen' in Punda en in Otrabanda. De kapitein vond ook dat de militairen meer moesten leren dan alleen marsen houden en oefenen te schieten. ''Beschaving en cultuur'' vond 'de ouwe'. En werden ze min of meer gedwongen in de 'kantine' een krantje te lezen. 'De Vrijmoedige' en 'De Onafhankelijke' waren toen de krantjes in het Nederlands. De berichten uit Nederland waren toen meestal drie maanden oud, want het nieuws kwam via de schepen. Uit Amerika ging dat wat sneller: een maand. Ook het lokale nieuws verspreidde zich zeer traag, namelijk vooral dat uit de buitendistricten en uit Aruba en Bonaire.

Om nog wat meer invulling aan 'cultuur' te geven, werd er Nederlands toneel opgevoerd in 'Teatro Naar'. Er kwamen in de jaren 1850 en 1852 opvoeringen van het 'Militair Tooneelschap' en een Nederlandstalig 'Tooneelschap van Liefhebbers'. Meestal waren het luchtige blijspelen en geen zware drama's, maar de jongens genoten ervan, vooral omdat zij daar de kans kregen de jongedames te bewonderen. Op grote afstand, dat wel. De ouders of oudere broer en/of zus gingen altijd mee als chaperon.

De jongens in het Garnizoen maakten in hun vrije tijd muziek. In de kantine stond een piano en er werd gezongen onder begeleiding van diverse geoefende pianisten. Ook was er de muziekkapel van de marechaussees en van de jagers die op hun vrije dagen oefenden. De kapitein had van de commandant toestemming gekregen een nieuwe piano te bestellen. Bij het lossen van het schip had de 'ouwe' een paar flinke kerels nodig om de piano aan de kade te dragen en daarna op een grote kar naar het Garnizoen te brengen. Listig had hij van tevoren gevraagd wie er verstand had van muziek. De meeste gaven zich op. Toen dat eenmaal was gebeurd kwamen ze erachter waar het om ging, niet om de muziek, maar om het zware werk 'de muziek' te dragen. Mopperend vervoerden de 'vrijwilligers' de piano.

Levie Heijman vond het allemaal wel mooi, maar had totaal geen muzikaal talent en ook het geduld niet om een instrument te leren bespelen. In Otrobanda werd af en toe op de zondag een SoirÚe gehouden door het orkest 'Harmonie' onder leiding van AgustÝn Bethencourt. Deze zeer begaafde literator, journalist en muzikant kwam uit Venezuela en hij begon een boekhandel in de Heerenstraat in Punda en een kleine drukkerij. Ook stelde hij een strijkkwartet samen en in de loop der jaren stichtte hij een 'Academia de Musica' en hielp hij bij de oprichting van een Philharmonische Vereniging. Verder waren er in Willemstad een muziekkorps van de schutters, onder leiding van Gerrie Palm en een muzikale militaire kapel onder leiding van Mathias van Dinter.

Bij de SoirÚes op de zondagmiddag kwam de gegoede gemeente wandelend op de Awasß om te luisteren naar de marsen, de mazurka's en de polka's die in die jaren zeer populair waren. De mooie jonge meisjes liepen mee met papai en mamai en glimlachend wierpen ze stiekeme knipoogjes naar de knappe officieren die stijfjes en zeer beleefd bogen naar de voorbijkomende mogelijke toekomstige families. Hun kans kregen zij op de hoogtijdagen bij de verjaardag van de Koning van Oranje, om beter kennis te maken met hun aanstaande 'verloofden'. Levie Heijman was als onderofficier bij de Artillerie 's morgens om klokslag zes uur present om samen met zijn collega's de saluutschoten af te vuren vanaf de kanonnen langs de zee. Daarna vond een parade plaats van officieren en manschappen in het Garnizoen waarbij gouverneur Johannes Didericus Crol de parade afnam voor de Willem III kazerne. De gouverneur in aanwezigheid van het deftige gezelschap, als de leden van de Koloniale Raad, rechters, rabbi Joshua Naar en opperrabbijn Aron Mendes Chumaceiro, dominee Anton Meijer en Mgr. Kistemaker en vertegenwoordigers van de handel begaf zich vlak daarna naar 'De Gezelligheid' voor de 'heildronk' met champagne. Levie Heijman stond wat onwennig tussen deze 'hoge pieten' in 'smoking' en zelfs in 'rok' met hun stijve en deftige gesprekken.

Later op de avond volgde een bal voor genodigden. In zijn gala-uniform probeerde hij voorzichtig kennis te maken met enkelen van de dames om een dansje te wagen. Maar eerst moest iedereen wachten op de officiŰle Quadrille, georganiseerd door de oudere dames, die een keuze hadden gemaakt uit de best geoefende en getrouwde jongedames en jongemannen om een demonstratie te geven. Levie Heijman stond perplex, nooit daarvoor had hij ooit zoveel schoonheid en sierlijkheid en blijheid bij elkaar gezien. Hij durfde een jongedame uit te nodigen en jawel, na een galante buiging en met een schuchtere maar toch luide stem 'mevrouw mag ik deze dans van U' waagde hij zich aan een Curašaose wals en het was alsof hij zijn hele leven niet anders had gedaan . Om klokslag tien uur klonk het Wilhelmus en was het feest voorbij na nog een mooi kleurrijk vuurwerk langs de Annabaai. Levie liep glimlachend en voldaan terug naar de kazerne in het Fort, na afscheid te hebben genomen van de Nieuwe kennissen. Nu hoorde hij bij Curašao, een nieuw leven en een nieuwe toekomst, een Snoek die op reis ging en eindelijk thuis was.

Bij het kraaien van de haan werd Levie wakker en het werd al gauw licht in de knoekoe. Er waaide een koele frisse bries. Hij klom uit de 'hamaka' (hangmat) en strompelde naar buiten, deed een plas onder de boom en rekte zich behaaglijk uit om de spieren los te maken. Ze moesten terug naar de stad. Pedro sliep nog. Die was stiekem naar buiten gegaan vannacht om te kijken en luisteren naar de 'tamb˙' en de melancholische tonen van de 'muzik di zumbi' en heeft het laat gemaakt. Papai had Pedro al diverse keren verboden: ''Blijf uit de buurt, want die negers zijn niet te vertrouwen en blijf van het lichaam van de jonge zwarte meiden af''. Maar bij Pedro werkte dat juist averechts als een extra uitdaging. Hij had een jong halfbloed vrouwtje ontmoet en aan het strand onder de bomen had hij een jaartje geleden voor het eerst geleerd wat hartstocht was.

Levie was niet meegegaan. Hij was doodmoe van de jachtpartij tevoren in de mondi. Ze hadden een paar yuana's (leguanen) en wat kleine vogels geschoten met een chincha (katapult) en beurtelings met een buks die Papai hen voor deze keer had geleend. Na een fikse wandeling over een vrij hoge heuvel hadden ze eerst een duik genomen in de zee en roosterden daarna de yuana's en de vogels in het vuur van gesprokkeld hout. De zon stond laag boven de zee en het was lekker koel langs het strand. ''Dit zijn de mooiste uren van de dag'', dacht Levi Heijman en hij genoot van de stilte, de kwetterde vogels in de bomen en de rustgevende kabbelende zee. Hij proefde het zout van de zee op zijn lippen en ontdekte dat hij nog steeds honger had. Het was tijd om naar het landhuis terug te gaan voor het avondeten, samen met de familie van Pedro.

Al heel vroeg de volgende morgen moesten zij de lange weg terug naar de stad. Levie was uitgenodigd voor een lang weekend bij de familie van Pedro in de knoek. Ze hadden voor ze ernaartoe gingen hun nette sportkleding aangedaan, want militairen behoorden volgens de kapitein ook in hun vrije tijd keurig netjes gekleed te gaan. Om 6 uur 's morgens toen de Grote Poort van het Fort die 's nachts op slot was ontsloten werd, gingen ze op weg. Langs Otrobanda liepen ze richting het westen tot aan de bebouwde grens. Onder een grote Wabiboom stonden enkele muilezels. 'Bon dia mi Shon', groette een oudere neger. Pedro betaalde hem om hun tocht op de ruggen van de ezels te kunnen voortzetten. Hij kende er de weg en zonder veel woorden gingen ze met zijn tweeŰn verder op de muilezels, na de afspraak om de volgende zondagmorgen de mula's weer af te leveren op dezelfde plaats. Onderweg kwamen zij mannen en vrouwen op ezels tegen die hun waar naar de markt brachten om te verkopen: groente, fruit, vis en y˛rki (gezouten vlees). 'Bon dia mi Shon blanku'.

Door de drukte van de oefeningen in het Garnizoen en het wachtlopen had Levie Pedro de afgelopen dagen niet gesproken. Hij informeerde bij de andere schutters naar hem en hoorde dat Pedro ziek was en opgenomen in de ziekenzaal van het Garnizoen. Bij zijn bezoek aan Pedro schrok hij ontzettend toen hij hem daar zag liggen: mager, bleek en onrustig. Het was warm in de zaal en Pedro draaide van links naar rechts in zijn bed, ijlde en sprak wartaal, beurtelings papiamento en Nederlands. 'Rotkoorts', gele koorts, zei de militaire dokter, schudde zijn hoofd en had een somber gezicht. Pedro was in totaal slechts vier dagen ziek geweest toen hij overleed en werd dezelfde dag begraven op het kerkhof te Otrobanda. De dominee sprak troostende woorden. Levie gaf Papai een abrazo, wenste hem sterkte en ging met zijn kameraden naar de shap om volgens de traditie 'de handen te wassen'.

Het jaar was weer bijna om. Het was december en in Otrobanda was het een drukte van belang. In de tienda's werden lekkernijen verkocht, ham, zure vis, gebak en in Punda kocht men nieuwe jurken en hemden voor Kerst en het Nieuwe Jaar. De joden deden goede zaken, want begin december waren er schepen vol kisten en vaten binnengekomen. De protestanten hielden een dienst in het Garnizoen met een preek door de dominee en er werden kerstliederen gezongen. Levie zat er onbewogen bij en dacht aan zijn familie in Amsterdam en de weinige brieven die hij kreeg. Bij het schrijven duurde het wel zes weken eer de familie zijn post ontving en drie maanden later kreeg hij pas antwoord. Bovendien was de post vrij duur. Het posttarief was f. 1,29 per brief van Curašao naar Nederland! Omgekeerd van Nederland naar Curašao kostte dat vier gulden. Levie hield de wacht op A˝a Nobo. Boven vanaf de vesting sloeg hij de drukte gade op het Brionplein en hoorde muziek. Klokslag twaalf begonnen de stoomschepen te loeien. Hij hielp bij de kanonschoten, twaalf in totaal en daarna omhelsden de kameraden elkaar. Ze konden het geroep en wat klein vuurwerk horen vanaf 'De Gezelligheid'. Dit keer was hij daar niet bij, de militaire dienst ging voor.

Het jaar 1863 was een belangrijke datum. Op 16 januari van dat jaar werd bij Koninklijk Besluit de emancipatie van de slaven afgekondigd. Het werd in feite een juridische verandering maar niet sociaal en economisch. De vrije negers en de mulatten konden nu terreinen en huizen kopen of huren. De geŰmancipeerden bleven tegen betaling wonen en werken bij hun Shons, maar het duurde tot 1 juli 1863 voordat deze wet 'de facto' werd. Voor Levie Heijman was 1863 ook een bijzonder jaar. Het jaar ervoor had hij kennis gemaakt met een jongedame en zij werden al spoedig verliefd.

Jan Bos

Elizabeth Bos was de dochter van Jan Bos en van Wilhelmina Elizabeth Webb. Jan Bos was een echte Fries. Hij werd op 16 mei 1798 geboren in het Friese stadje Harlingen aan de zee. Zijn ouders waren Marten Bos en Trijntje Sijbrens uit Harlingen. Hij had twee broers en twee zussen. In 1829 vertrok hij naar Curašao en trouwde nog in datzelfde jaar op 24 juni met Wilhelmina Webb, dochter van Hieronimus Durer Webb en Elizabeth de Jongh.

Harlingen was in die jaren een levendige stad met veel schepen en de handel bloeide. Er was een middelbare school, een technische school en een zeevaartschool. Jan Bos maakte zijn studie af, werd stuurman en later kapitein bij de koopvaardij voordat hij naar Curašao vertrok. In 1846 was hij kapitein van de schoener 'De Curacaosche' en voer hij naar Suriname. Het schip was pas te water gelaten op de werf van H. van der Meulen & Co. Herman van der Meulen had in 1833 de werf overgenomen van de weduwe Henry Basden. Basden was in 1817 een scheepstimmerwerf begonnen.

Het echtpaar Jan Bos en Wilhelmina Webb kreeg op Curašao vier dochters. Eerst een tweeling: Elizabeth en Anna Catharina (geboren 12 augustus 1830). Daarna kwam HenriŰtta Nicolina (geboren 13 maart 1831). De geboorteaangifte geschiedde door vroedvrouw Maria Thomas en getuigen waren Pieter Muller Dammers en Johannes Baptista Anthonius van Hall (1799-1863). Johannes van Hall kwam als zeeman uit Middelburg. HenriŰtta trouwde later met Casper Hendrik van Delft. Casper is geboren in Den Haag (1 november 1834) en hij ging in militaire dienst in het garnizoen op Curašao. Tenslotte werd Jeannette Petronella geboren op 19 juli 1834. In 1863 verloofde ze zich met Willem Johannes Petrus 'Pieter' Peiliker en korte tijd daarna op 30 juli 1863 stapten ze in het huwelijksbootje.

Als Jan Bos op zondag niet op zee was, ging hij met zijn familie naar de protestantse Fortkerk van de V.P.G. Voorganger was toen dominee Cornelis Conradi, hulppredikant te Leeuwarden en Jan maakte daarom graag een praatje met Conradi in het Fries. Dominee Conradi begon in 1844 met een Hervormde school maar spoedig verdween in 1851 de school om financiŰle redenen. Tenslotte begon ds. Conradi in 1846 met de oudejaarsavonddienst in het Fort, aangezien in die jaren de eerste straatlantaarns waren gekomen. Conradi bleef tot kerstmis 1855 op Curašao, kort daarna vertrok hij naar Suriname.

Vlakbij het huis van de familie Bos stond ten zuidwesten van Otrobanda een vervallen buurt genaamd Carthagena of Waterloo. Er stonden toen omgevallen muren en doornstruiken. Daar stond vroeger aan de kreek een militair en civiel hospitaal van de Marine en ook voor zeelui.
(Noot: Volgens wijlen pater M.D.Latour in de W.I. Gids 1955, was het gebouw gelegen aan de Pater Eeuwensweg en bewoond op de bovenverdieping door de kinderarts Dr.C.A. Winkel met op de begane grond de Bloedbank).

De grond en het huis in Carthagena was eigendom van Hendrik Jansz Schotborgh jr., geboren op 20 juni 1784. Hij had het huis voor twee jaar verhuurd aan het gouvernement. Hendrik Jansz was 1ste luitenant van de Schutterij die in 1821 was opgericht. Hij trouwde op 9 mei 1813 met Jeannette Margaretha Kikkert. Het echtpaar had in 1823 het onroerend goed gekocht op een publieke veiling voor een koopsom van f. 13.625. De vader van Jeannette was Albert Kikkert, gehuwd met Anna Maria van Uytrecht. Albert Kikkert, geboren in 1761 op Vlieland, was een zeeofficier en lid van de loge. Hij werd benoemd tot gouverneur van Curacao op 4 maart 1816 aan het einde van de Engelse oorlog en bij de installatie van Kikkert had Raadssecretaris Willem Prince hem de eed afgenomen. Albert Kikkert overleed op 18 december 1819 en hij werd begraven met veel ceremonieel op het protestantse kerkhof aan de Roodeweg. Bij een veiling op 26 juni 1820 had Lammert Kikkert, zoon van wijlen Albert Kikkert, het huis gekocht. Testament executeur was toen Hendrik Schotborgh Jansz (OAC 1124). Hendrik Jansz kocht op 29 maart 1833 de plantage Santa Barbara op de Tafelberg (OAC 813:20). Na het overlijden van Hendrik Schotborg Jansz werd het terrein verkaveld en werden er enkele grote huizen gebouwd. De straat naar de Breedestraat kreeg de naam 'Hanchi Carthagena'.

Erfenis

Kapitein Jan Bos overleed rond mei 1850. Zijn vrouw, Wilhelmina Webb, was vier jaar eerder op 2 januari 1846 overleden. Wilhelmina was de dochter van Hieronimus Webb en van Elisabeth de Jongh. Na de dood van Jan Bos had Geertruida de Jongh, een dochter van Nicolaas de Jongh, op 25 januari 1852 een testament opgesteld. Ze was een nicht van Wilhelmina Webb. Geertruida was een zus van schipper Franšois de Jongh en van Elisabeth de Jongh. Daardoor erfden later haar vier nichtjes 'Betsy' Elizabeth Bos, Catharina Bos, HenriŰtte Nicolina Bos en Jeannette Bos. Kapitein Jan Bos had goede kennissen op Bonaire zowel van de schippersfamilie De Jongh als van de familie Dammers.
Peetoom van HendriŰtte Nicolina Bos was Pieter Muller Dammers. Hij was een zoon van Christiaan Gerard Dammers, geboren in Neuburg Hannover Duitsland. Hij werd in 1784 commandeur van Bonaire. Hij had een dochter, Dorothea die trouwde met Carel Zacharias de Haseth, uit de familie die later in de twintigste eeuw nog enkele keren een gezaghebber op Bonaire leverde. De opvolger van Christiaan Dammers werd Michiel de Groot in 1793 vice-commandeur van Bonaire.
(noot: de naam De Jong veranderde in De Jongh)

Bij de aangifte van de geboorte op 19 juli 1834 van Jeannette Petronella Bos traden als getuigen op Salomon Elias Levy Maduro 'Momˇn Blˇ', gehuwd met Rebecca Curiel, een prominente joodse zakenman en een goede kennis van Jan Bos. Een broer van Momˇn was Salomon Mordechai Levy Maduro bijgenaamd 'Sol' of 'Momˇn Guigi'. Salomon Elias begon op 24 januari 1837 een levensmiddelenzaak met een lening van ruim vijfduizend gulden. De omzet in de eerste maand bedroeg veertig gulden. Korte tijd daarna begonnen de twee broers een vloot met vier eigen schoeners voor de vaart op New York. Later werd door hen S.E.L. Maduro Sons opgericht met bunkerfaciliteiten bij de haven. De andere getuige bij de doop was Johannes Mathias Pletsz namens de vrouw van Jan Bos, Wilhelmina Webb.

Ontbijt

Het dagelijks leven op Curašao in de negentiende eeuw, begon al vroeg. 's Morgens om halfzes stond men op om koffie te drinken met een beschuitje. Om 7 uur 's morgens deden de winkels hun deuren open, maar daarvˇˇr hadden 'lieden van buiten' reeds groente en fruit op vaste plaatsen ten verkoop op de grond gespreid. Tussen 8 en 9 begaven de ambtenaren en officieren zich naar hun kantoren. Tussen 10 en 11 uur volgde het 'tweede ontbijt', een warme maaltijd met vlees of vis en na 3 uur 's middags als de kantoren en winkels dicht waren, verorberde men het warme middagmaal, ook weer met vlees of vis. Een enkele maal 's avonds voor het slapen gaan volgde nog een licht souper. De siesta was algemeen maar viel dus redelijk laat in de middag. In tegenstelling tot de kantoren en winkels hadden de scholen twee tijden: namelijk van 9-12 en weer van 14-17 uur. 'Tussen de middag' werd de school veranderd in een soort restaurant waar de kinderen, groot en klein, dineerden terwijl ze bediend werden door hun kindermeiden en dienstboden, die in een houten bak op het hoofd eetwaren, glazen, borden enz. hadden aangebracht. De funchi was reeds hoofdvoedsel geworden. Aardappelen en groenten kwamen uit Nederland, maar na een lange reis van vijf tot acht weken onder de luiken van de schepen, was het eten niet zo erg appetijtelijk. 'Een balletje funchi smaakt tien maal lekkerder en is vrij wat gezonder', schreef dominee Van Dissel in 1857. 's Avonds was er niet veel te doen: babbelen en kaarten. Tussen 10 en 11 uur gingen de meesten naar bed. Elizabeth maakte er de gewoonte van elke middag rond drie uur met de hele familie gezamenlijk thee te gebruiken, een echt Engelse traditie van de Webbs. Het was een kleine 'ceremonie' met keuze uit diverse soorten thee en natuurlijk met een biscuit, een scone of iets hartigs.

Peilikers

In het Garnizoen werd op 30 juli 1863 de officiŰle akte getekend van het huwelijk van het echtpaar Levie Heijman en Elizabeth Bos. De akte werd getekend door de getuigen, zijn beste vriend als padrino Pieter Peiliker namens de bruidegom en HenriŰtte Nicolina Bos als madrina. Verder tekenden de commandant, Gouverneur Crol en de Koloniale secretaris Jan Beaujon. Bij de ondertrouw op 28 juli waren in het Raadhuis als getuigen Pieter Peiliker en zijn vrouw Jeanette Petronella Bos en Willem Denninck en zijn vrouw Anna Christina Hesse. De bruid schitterde op haar huwelijksdag en Levie Heijman had voor de gelegenheid zijn gala tenue aan. Bij vertrek vanaf het Raadhuis gaven zes officieren met getrokken sabel een saluut aan het echtpaar. Er werd champagne geschonken en het feest werd voortgezet met vrienden in de kantine van het Garnizoen.

Na de huwelijksvoltrekking bewoonden ze een huis in Otrobanda. Pieter Peiliker en Jeanette Pieternella Bos hadden een ruime etagewoning, een erfenis van de ouders van Jan Bos en Wilhelmina Webb. De bovenverdieping van het huis werd door hen niet gebruikt en daar konden Levi en zijn vrouw Elizabeth intrekken. Op de bovenetage was een balkonnetje vanwaar zij de haven konden zien, waar geregeld schepen in en uit voeren. Pieter Peiliker kwam als sergeant uit Harderwijk. Hij is daar geboren in 1833. Zijn moeder, de weduwe Wilhelmina Peilike, kreeg een zoon van een onbekende man. Het kind kreeg de naam Peter. In zijn geboorteakte nr. 55 d.d. 18 april 1833 stond dat: ''op donderdag 18 april 's morgens om 03.00 uur Wilhelmina Peilike, oud 37 jaar, buiten beroep en ongehuwd in het huis no. 419 in de Hondegatstraat is bevallen van een zoon die zij de naam Peter heeft gegeven''.

In Harderwijk was er een Koloniaal werfdepot sinds 1844 en grote groepen militairen kwamen uit Hellevoetssluis. Velen waren 'huursoldaat' uit BelgiŰ, Duitsland en zelfs uit Denemarken met name uit het plaatsje Kunnen, waar Christoffel Hasselmeijer ook vandaan kwam. Toen Peter 15 jaar oud was tekende hij als vrijwilliger op 13 mei 1848 voor een dienstperiode van 10 jaren zonder handgeld. Drie jaar later, op 3 maart 1851 werd hij overgeplaast bij de Instructie Batlajon als infanterist. Een jaar later, op 14 juli 1852, werd hij bevorderd tot korporaal. (gegevens uit het Stamboek Koloniale Landsverdediging, Curašao). Na zijn trainingsperiode werd Peter op 16 januari 1853 bevorderd tot sergeant en hij vertrok samen met zijn strijdmakkers op het brikschip 'Gouverneur Elsevier' naar Curašao om zich te melden bij de artillerie in het Garnizoen.

Een half jaar na het huwelijk van Levie Heijman en zijn vrouw Elizabeth, moest Levie optreden als getuige bij de geboorteaangifte van Johan Gijsberth Bos, een zoon van de ongehuwde HenriŰtte Nicolina Bos. Johan werd geboren op 28 januari 1864 en amper een jaar later trouwde HenriŰtte Nicolina Bos met Casper Hendrik van Delft, een goede vriend van Levie van het Garnizoen. Johan werd 'ge-opt' bij kranshi op 25 januari 1865.

In dezelfde tijd kregen Elizabeth en Levie, een erfenis van tante Geertruida de Jongh. Geertruida was de weduwe van Casper Hensle, een Duitser uit Noord West in het Groot Hertogdom Baden. Zij trouwden op 18 juni 1824 op Curašao. Getuigen waren Willem Prince jr., haar broer Franšois Martinus de Jongh en haar zus Anna Catharina de Jongh. Op 3 oktober 1863 overleed tante Geertruida op 85-jarige leeftijd. Zij was de dochter van Nicolaas Erasmus de Jongh en van Anna Boom Franken. De ouders van Geertruida, waren de eigenaars van plantage Ronde Klip. Op 5 januari 1798 verkocht de familie de plantage aan Isaac Capriles (de echte eigenaar was de bekende dokter Dr. Joseph Capriles die in 1795 woonde bezuiden de Breedestraat (OAC 1097, 30-1-1795). Het was een grote plantage met duizend schapen, zes paarden, ruim honderd koeien, 12 ezels en een kalkoven. Er werkten ruim vijftig slaven.

Otrobanda was in die jaren heel gezellig, een wirwar van nauwe stegen en gangen. De stegen en straten kregen de namen van bekende figuren die daar gewoond hadden. In 1866 werd met medewerking van gouverneur De Rouville een straatnamencommissie benoemd. Het duurde lange tijd voor de nieuwe namen ingeburgerd waren, want de straten hadden reeds bestaande namen in het Papiamento zoals Tumba cuater (IJzerstraat, vlakbij de Langestraat), Hanchi Bientu (ConsciŰntiesteeg, aan het Brionplein) en Hanchi Warda (Sebastopolstraat) omdat daar vroeger een wachthuisje stond. Iets verder naar 'boven' op Ser'i Otrobanda stonden aan de Hoogstraat de duurdere stadshuizen van de protestanten, ambtenaren, hoge officieren en enkele plantage-eigenaars. Plantage-eigenaars hielden er twee huizen op na; wonen in de knoek was niet altijd prettig, zeker niet in de regentijd met veel muggen, dus verhuisden ze tijdelijk naar de stad. Omhoog aan het einde van de Hoogstraat stond 'BelvedŔre', een paleisje van gouverneur mr. A.M. de Rouville, die voordien de 'procureur des Konings' was. In de richting van de haven stond een herenhuis op de hoek van de Rouvilleweg en de Hoogstraat, de 'Keizershof'. Het huis kreeg de naam omdat het was gebouwd door de voormalige zwarte keizer van Ha´ti, Faustin I. Hij had niet veel plezier van zijn keizerschap, kort daarna kwam de bevolking in opstand. De zwarte keizer vluchtte met de schoener 'Rigolette' naar Curašao en liet met het kapitaal dat hij had meegenomen de 'Keizershof' bouwen.

Gezin

Een jaar later op 1 februari 1864 werd het eerste kind van Levie en Elizabeth geboren, Hendrik Marten Snoek. Amper vier maanden later stierf het jongetje aan de koorts. Op 30 mei besloot Levie om een contract voor zes jaar te tekenen met een salaris van 120 gulden. Het echtpaar was nog steeds verdrietig door de dood van Hendrik Marten, maar de komst van Louis Henri Snoek een jaar later op 21 juli 1865 verzachtte de pijn. Een stevige baby met grote groenkleurige ogen. Hij kreeg de omgekeerde initialen van zijn grootvader Heijman Levie uit Amsterdam. Louis Henri werd het, Franse namen die in die jaren sinds Napoleon III en vogue waren. In datzelfde jaar trouwde Levie's vriend Casper Hendrik van Delft met zijn schoonzuster HenriŰtte Nicolina Bos. Levie kende Casper al sinds zij samen met de 'Elisa' via Suriname naar Curašao waren gekomen in augustus 1858. Casper en HenriŰtte trouwden op 25 januari.

Elizabeth was toen in verwachting van Louis Henry Snoek en op het huwelijksfeest liep zij rond met een dikke buik en danste vrolijk met haar man Levie. Ze hield van kleren en maakte haar eigen jurken, rokken en blouses en kinderkleertjes voor de komende baby. Ze bekeek de prenten in het Engelse blad 'Punch' waarin damesmode uit de jaren rond 1855: deftige jurken met crinolines en stroken. De hoepelrok had aan het einde van de jaren vijftig de vorm van een koepel. Dit effect werd vˇˇr 1860 nog versterkt door de toevoeging van vele stroken (volants). Een goed gedragen crinoline was overigens een ongemeen flatteus kledingstuk, ritmisch meedeinend met iedere beweging en de gratie van de draagster daarmee ook extra onderstrepend. Ondanks haar dikke zevenmaandse buik vond Levie haar een charmante, mooie vrouw.

John Wilhelm Snoek, de tweede zoon van Levie werd geboren op 19 maart 1868, ook een stevige baby met lange benen en met de grijsblauwe ogen van zijn moeder Elizabeth. Wilhelm kreeg de naam van haar moeder Wilhelmina Webb. Het leven ging zijn gangetje op Curašao. Levie amuseerde zich met zijn vrienden en besteedde zijn vrije tijd aan de jongens Louis Henri en John Wilhelm. Toen zij 5 en 6 jaar oud waren, gingen Louis Henry en John eerst naar de kleuterschool van de weduwe I. Jutting. Later naar de openbare school van de onderwijzer Juan M. de Pool in Otrobanda. Bij de opening van de Hendrikschool aan de Pietermaaiweg (1885) werd de school van De Pool gesloten. De jongens moesten vroeg in de ochtend opstaan om mee te lopen met vader Levie als die op weg ging naar het Garnizoen.

Elizabeth Bos verdreef haar tijd met handwerken, met kleding maken en kreeg pianoles. In Otrobanda woonden diverse muziekleraren en zij koos voor 'Shon Matheu' die dicht bij de Langestraat woonde. Hij was ook organist in de kerk Santa Ana in de Breedestraat. Ze begon met klassiek en Chopin was haar favoriet, maar ze genoot vooral van de Curašaose walsen, de danza's en de mazurka's. Dat laatste vond ze wel een beetje moeilijk.

Op 30 mei 1870 tekende Levie Heijman een nieuw contract voor zes jaar. Hij behield zijn salaris van 120 gulden maar kreeg geen opslag, ondanks het feit dat hij op 29 januari 1862 een bronzen medaille met een gratificatie van 12 gulden had gekregen en later op 14 november 1867 een zilveren medaille maar zonder gratificatie. Een jaar later op 21 februari 1871 overleed vader Heijman Levie Snoek 's avonds om tien uur in Nederland in het huis aan de Keizersgracht no. 401. Het bericht bereikte Levie pas een paar weken later. Hij las dat de bekenden van zijn vader Meyer Hes, 33 jaar oud en wonende in het Israelisch Ziekenhuis alsmede Mozes Marcus Koster, diamantslijper en 27 jaar oud uit de Houtstraat, getuigen waren geweest bij het ondertekenen van de overlijdensakte in Amsterdam. Heijman Levie werd begraven in Muiderberg naast zijn vrouw Elisabeth Berclou. Amper een half jaar later op 13 september 1871 stierf HenriŰtte Nicolina Bos, de zus van Elizabeth. Levie en zijn vrouw stonden Casper bij in zijn verdriet. Casper diende zijn tijd uit en vertrok op 7 mei 1878 met het stoomschip 'Curašao' naar Nederland om te gaan wonen in zijn geboortestad Den Haag.

Johan Herman Meijer trouwde met Anna Catharina Bos. Een week voor hun trouwen gingen zij voor een bezoek naar La Guaira. Zij trouwden op 1 november 1876 maar een maand later overleed Herman plotseling op 18 december 1876. Hij was onderofficier bij het Garnizoen. Na zijn pensionering was hij in 1874 lid geworden van de loge Igualdad. Een neef van hem, Casten David Meijer, was als schrijnwerker opgeleid door zijn grootvader Carsen Meijer die in die jaren cursussen gaf in het maken van meubels.

Op 20 maart 1872 was Levie (41) getuige bij het huwelijk van Catharina Elisabeth Peiliker, (dochter van Pieter Peiliker en van Jeannette Bos) met Casten Lodewijk Timmer. De andere getuige was Casten David Meijer (27), een neef van de bruidegom. David was de eerste beroepsjournalist op het eiland. Hij gaf het weekblad 'Civilisadˇ'in 1875 en later 'De Vrijmoedige' van 1875-1920) en ook 'De Wekker' van 1875-1915. Zijn zoon Johan Frederik Gerlijn Meijer schreef veertiendaags blad 'Curašao Amusant' en een andere zoon Eduard gaf 'Ons blaadje' uit. David was onder invloed van vrienden in de oppositie van de katholieke kerk gegaan. Zijn vrouw Carolina Gerlijn was van Duitse afkomst en zeer godsdienstig protestant. David genoot zijn opleiding aan het Colegio Leon, een mašonieke school in Punda. Gedurende zijn journalistieke jaren woonde David in de Naniesteeg en later tegenover de Sint Annakerk. David en zijn vrouw Carolina hadden zes kinderen. Hij werd op 21 maart 1874 lid van de loge Igualdad en werd een aktieve vrijmetselaar. (bron: Journalistiek leven in Curašao, geschreven door dr. Joh. Hartog). In hetzelfde jaar op 1 juli 1874 kreeg Levie zijn derde chevron uitgereikt. Dat is een mouwstreep als onderscheidingsteken en deze militairen verkregen daarmee een hogere rang. Zij mochten dan ook een medaillon de drap, een van stof vervaardigde medaille "naar oud model" dragen.

In september 1877 werd Curašao getroffen door een grote ramp. Het was benauwd warm weer en de altijd verfrissende bries ontbrak. Iedereen klaagde over de hitte. Op 23 september om tien uur 's morgens ging het ineens heel erg hard waaien zonder enige waarschuwing vooraf. De kinderen waren binnen en de houten jaloezieŰn klapperden vervaarlijk. Het werd donker. Elizabeth keek naar buiten en zag hoe kleine schepen moeite hadden de Annabaai binnen te varen. Zij dacht aan Levie en hij had dienst. ''Was hij maar vast thuis'', dacht zij, want zij voelde zich steeds onrustiger worden. Binnen een uur had de harde wind zich ontwikkeld tot orkaan en raasde langs de zuidkant van het eiland. De wind loeide en het lawaai van zee en wind had zij nooit eerder op die manier gehoord. Tegelijkertijd begon het te stortregenen. Grote druppels sloegen tegen de gesloten houten jaloezieŰn. Ze hoorde het kraken van afbrekende takken van de grote bomen en nog altijd was Levie niet thuis. De jongens klampten zich aan haar vast en snapten er niets van dat het zo vroeg al donker was. Elizabeth stak de kaarsen aan, zong liedjes met de jongens en probeerde hun verhaaltjes te vertellen om op die manier ook haar eigen angst te verbergen.

Vele spannende uren later, de jongens waren die nacht op haar schoot in slaap gevallen en in hun bedjes gezet, begon de volgende dag het weer op te klaren en deed de zon met moeite een poging de dag te beginnen. Elizabeth keek uit het raam naar buiten in de richting van de haven. Ze zag kleine bootjes stuurloos op de nog altijd woeste zee stukslaan op de wal. Een grote brik lag aan de Pundazijde op zijn kant met gebroken masten. De Handelskade stond onder water. Er dreven tonnen en allerlei spullen, maar er was geen levende ziel te bekennen.

Pas tegen de avond die dag kwam Levie thuis, uitgeput en met een grauwe kleur op zijn gezicht, hij zag er jaren ouder uit. Nadat de zee wat rustiger was geworden, was hij met een peloton Jagers en een grote groep Schutters en Marechaussees in kleine bootjes naar Otrobanda gegaan om de schade op te nemen en te helpen met het ruimen van het puin veroorzaakt door de orkaan. Elizabeth en de jongens klampten zich aan hem vast en huilden van blijdschap dat hij er weer was: ''Zoiets wil ik nooit meer meemaken'', zei Elizabeth. De zee was overspoeld aan het Rif. Het Lazarushuis was verdwenen, slechts een deel van een muur stond nog overeind. De melaatsen hadden zichzelf gered door zich vast te klampen aan de mangrovebosjes. Zuster Tecla, een van de nonnen van het Lazarushuis, hield zich vast aan een patiŰnt en zij overleefden. Het Rif zelf werd beschermd door de huizen in Otrobanda maar er was veel schade aan de daken, ramen en deuren. In het oosten van de havenmond werd Punda enigszins beschermd door de wallen en de batterijmuren van het Fort.

Schade

Pietermaai had het meest geleden met veel schade en met doden en gewonden. Over de gehele lengte stond soms wel twee voet water in de straten. Gebouwen zoals b.v. het Teatro Naar waren volledig vernield. Drie schepen van de firma Jesurun de 'Condor', de 'Sarah' en de 'Juliette' werden vernield en vijf kleinere schepen hadden grote schade opgelopen. In de stad beliep de totale schade op tot ruim zeven ton (voor die tijd een enorm kapitaal). Er was veel vee verdronken, vooral schapen. Naar schatting waren er 200 doden en uit heel het land, uit Aruba, Bonaire, St. Maarten, Nederland en zelfs Venezuela kwam hulp voor de getroffenen in de vorm van voedsel, medicijnen en kleren. Een commissie van de loge Igualdad onder leiding van voorzitter P. Leon, de onderwijzer A. Brusse, en de heren Willem Pierre, Lucien Kranwinkel en Gabriel 'Gabi' de Pool begon een grote inzameling om de getroffenen te helpen. De Engelse loge gaf een donatie van honderd pond en de vrijmetselarij in Parijs, de Alliance Israelite Universelle, gaf duizend francs. In de ConsciŰntiesteeg no. 4 had Gabi de Pool een goud- en zilverwinkel. Hij was een medeoprichter van de loge Igualdad (28 oktober 1855).

De schutterij en het Korps Volontair verleenden hulp en hielden om beurt de wacht bij de ru´nes. En Levie Heijman was samen met zijn makkers de daarop volgende maanden druk in de weer met het helpen opknappen van de schade. Hij had de tempel Emanu-El bekeken en er was een schade van vijfduizend gulden. Het huis van Hazzam (rabbi) Haim Joseph Israel Santcroos werd totaal vernield.

Bij Klein Curašao vond ook een tragedie plaats. In die dagen waren er enige Engelsen bezig met het afgraven van guano (fosfaat). Anton Piar uit Rincon, had een contract afgesloten met de Engelsen om elke week mondvoorraad op zijn barkje 'Francisca' naar Klein Curašao te brengen. Op zaterdag 22 september 1877 was hij weer met zijn barkje daar aangekomen. Bij het aan wal brengen van de levensmiddelen, kreeg hij opeens hevige pijnen in zijn rug zodat hij nauwelijks kon lopen. Hij verkoos daarom voorlopig op Klein Curašao achter te blijven. Piar gaf bootsman Pourier de opdracht het barkje te zeilen naar Bonaire en om maandag of dinsdag hem weer op te halen. Dezelfde avond vertrok de 'Francisca' naar Bonaire haar ondergang tegemoet. Nooit werd er iets meer vernomen van Pourier en zijn bemanning. In de vroege zondagochtend trok de storm over Klein Curašao. Twee enorme gloedgolven sloegen met geweld over het eiland heen. Toen Piar van zijn schrik was bekomen, vond hij twee Engelsen met bloedende hoofdwonden, gesmakt tegen een stuk muur. Piar behandelde de gewonden met zijn gebrekkige hulpmiddelen en verbond hun wonden. Kort daarna zag hij weer een huizenhoge golf het eiland naderen. In vertwijfeling viel hij op zijn knieŰn en riep uit: 'La Birgen del Carmen, yuda mi'. Vlak vˇˇr het eiland zakte de golf ineen en hij was gered.

Pensioen

Door zijn tropenjaren kon Levie op zijn veertigste met 'pensioen' en werd eervol ontslagen uit het leger op 4 september 1876. Hij had veel zakencontacten opgedaan en verruilde zijn beroep voor koopman. Amper twee jaar voor zijn dood had Levie op 31 januari 1880 een 'request' aan de gouverneur geschreven in zijn eigen handschrift en ondertekend met simpel 'Snoek'. Hij schreef letterlijk:

De ondergeteekende, gequalificeerd tot het aanmanen van achterstallige belastingschuldigen op het eiland Curašao, heeft sedert het jaar 1878 steeds als zoodanig zijn pligt getrouw gedaan, zonder eenige vergoeding van gouvernementswege te hebben genoten. Wel is waar worden de kosten van aanmaning den belastingschuldigen in rekening gebragt, doch het is UHoogEdelGestrenge bekend dat een groot aantal der belastingschuldigen ontheven worden van de betaling en zoodoende een groot gedeelte van het door den ondergeteekende verdiende verloren gaat. Het is daarom dat de ondergeteekende zich eerbiedig tot UHoogEdelGestrenge wendt met beleefd verzoek het daarheen te willen leiden, dat hem eene gratificatie of jaarlijksche toelage voor die moeite worde toegekend.
Met de meeste Hoogachting,
HoogEdelGestrenge Heer
Uwe Gestrenge dienstdienaar
,

ondertekend met Snoek in zijn sierlijke handtekening.
(NAC Koloniaal Archief/Gouverneur/Rekwesten, 5217 (=1879 en 1880), nr. 32).

Het verzoek van Levie Snoek werd door de Gouverneur afgewezen met een korte brief:

Curašao, Den 2de Februari 1880:

Ik heb de eer UEd mede te delen, dat aangezien er geene gelden op de begroting beschikbaar zijn tot toekenning van gratificatien of toelagen, aan het verzoek vervat in uw adres d.d. 31 Januari ll. door mij niet kan worden voldaan.

De Gouverneur
(Get.) H.B. Kip.

Aan de Heer
Snoek
Alhier

In april 1881 keek Levie bij het baggerwerk aan de haven bij de mond van het Rif. Een Nederlandse baggermolen was bezig met het uitgraven van de monding van de haven, later ook bij het Waaigat en het Spaanse water aangezien er veel hindernis was door koraalbanken. Het duurde een paar jaar waarbij per jaar 3000 tot 5000 vierkante meter uitgebaggerd. ( 'Geschiedenis van de Curašaose Scheepvaartmaatschappij', G.W.Bakker, Emmastad 1962). En in maart 1882 maakte Levi mee dat twee nieuwe stoompontjes te water waren gelaten, de 'Willemstad' en de 'Otrobanda' voor een proeftochtje in de haven. Kort daarna werd hij ziek en op 10 mei 1882 overleed hij op 51-jarige leeftijd.

Levie H. Snoek is in 1882 begraven op Berg Altena Twee bekenden van Levie waren Mordechai Salomon Levi Maduro en Moises Haim Penso. Zij noemden hem ook Levy Haim en die naam gaven zij als getuigen ook op bij zijn overlijden. Mordechai en Moises waren zwagers. Op 17 maart 1871 trouwde Moises met Hannah Ester de Salomon Levi Maduro y Curiel. Mordechia betaalde f. 16.000 gulden voor de bruidschat. ('History of the Jews' deel 2 pag. 972)

Levi is begraven op de joodse begraafplaats op Berg Altena (tweede deur rechts, vierde rij rechts nummer drie). Deze dodenakker op Berg Altena is een samenvoeging van twee begraafplaatsen, waarvan de oudste in 1865 werd ingewijd door Tempel Emanu-El en die van na 1880 ingewijd door MikvÚ IsraŰl. Mordechai Salomon Levy Guigi Maduro en Haim Moises Penso waren vooraanstaande en rijke joden. Mordechai Salomon was president commissaris van Maduro & Sons. Moises Haim Penso, getrouwd met Hannah Ester Maduro, was een van de drie grootste geldschieters in die jaren. Hij was hoofdredacteur en eigenaar van 'El Imparcial' en hij was evenals Mordechai Salomon Maduro lid van de Koloniale Raad. Hij is overleden op 12 februari 1912.

Jong matroos

De twee zonen van Levie Heijman Snoek, Louis Henri en John Wilhelm waren toen hij overleed respectievelijk 14 jaar en 15 jaar oud. Beide jongens hadden van jongs af aan het verlangen te gaan varen en mochten vaak met Levie Heijman mee om te kijken naar de schepen langs de kade. Af en toe mochten ze aan boord wat ze een hele belevenis vonden.

Louis Henri Snoek was 16 toen hij aangaf de zee op te willen. Hij was altijd al bezeten van schepen en ook het handelen zat hem in het bloed. Hij kreeg toestemming van zijn moeder en monsterde aan als matroos op een schip van de maatschappij J. en D. Jesurun. Louis Henry ging op zijn twintigste als zeeman geregeld naar Bonaire. Daar ontmoet hij Anna Carolina Elisabeth de Groot. Zij was een onecht kind van HenriŰtte de Groot maar na haar geboorte trouwde HenriŰtte met Samuel Esser, geboren in 1825 en overleden in 1885 op Bonaire.

De vader van Samuel Esser, Rutger Esser was geboren op 5 maart 1801 in Utrecht. Hij kwam als kadet op het schip "De Prins van Oranje" uit Vlissingen toen hij zestien jaar oud was en kwam aan op het eiland op 27 januari 1816. Vijf jaar later ging hij als luitenant naar Suriname en werd daarna majoor bij de bataljon jagers. Hij trouwde in Suriname met Catharina Schotborgh en ze kregen daar vier kinderen. In 1823 ging hij met de familie naar Nederland maar werd later garnizoens-commandeur op Curašao en gouverneur van Curašao (april 1845 - 20 december 1848). Rutger was zeer geliefd bij de joden maar door alle tegenvallers wilde hij weg: ''ik was liever gebleven in Surinameů.''

Louis Henry trouwde met Anna Carolina op 27 juli 1885 op Bonaire. Zij was gekleurd en katholiek. Bij het huwelijk waren Pieter Peiliker en Lodewijk Christoffel BoyÚ (geb. 1831) getuigen. Lodewijk was als lid van de loge Igualdad (no. 131) ge´nstalleerd op 27 juni 1867 op Curašao. Hij was toen schipper en voer geregeld van Curašao naar Bonaire. Een jongere broer van Lodewijk, Willem Ernst BoyÚ, was een bekende zakenman in Otrobanda. Hij liet een huis bouwen aan de Frederikstraat op no. 81 en deed goede zaken in Venezuela in de jaren van president Guzmßn Blanco. Willem Ernst BoyÚ nam het initiatief om de stoffelijke resten van admiraal Pedro Luis Brion over te brengen naar Caracas.

Protestantse Kerk in Kralendijk rond 1915 HenriŰtte de Groot was de dochter van schipper Adriaan Martinus Michiel de Groot, geboren op 30 december 1808 op Bonaire. Hij voer als schipper op een bark met de naam 'Jane', eigendom van Cornelis BoyÚ. Een zoon van Cornelis was Lodewijk Christoffel BoyÚ die getuige was bij het huwelijk van Louis Henry en Anna Carolina. (gegevens uit Zeebrieven van OAC 26 september 1851). De grootvader van Christoffel, Ludwich Christoffel BoyÚ werd geboren in G÷ttingen (Duitsland) op 19 december 1773. Hij kwam naar Curašao en was in dienst bij de WIC. Hij werd ruiter en later op Aruba kapitein-luitenant van de indianen. In 1816 werd hij benoemd tot commandeur van Aruba tot 1819.

In de jaren vijftig waren er talloze schippers die van en naar Bonaire ging varen. Daarbij waren o.a. Barend Dirksz Kock (de bark 'Union" in 1856), Michiel de Groot met de bark 'Jane' in 1851), Nicolaas Erasmus de Jongh en Martinus Michel de Groot ('June' in 1864) en Kasper Pieter Kock ('Diamante' in 1851 van de joodse eigenaar David Abraham Jesurun). Martinus Michiel de Groot was getrouwd met Anna Andrea Kock, dochter van Theunis Dirksz Kock die commandeur was van Bonaire (zie stamboom Kock).

In dezelfde periode voer een bark met de naam 'June' geregeld naar Bonaire. Schipper was Nicolaas de Jongh (zeebrief OAC 2 juli 1856). Nicolaas was geboren op 26 maart 1806 op Bonaire. Hij trouwde met HendriŰtte Specht. Na haar overlijden huwde Nicolaas met Barbara Elisabeth Dammers en zij overleed op 22 mei 1849 op Bonaire. Nicolaas voer op Curašao als schipper op 's lands 'vrachthaalder'. In 1816 had het land acht barkjes van ongeveer vijftien ton waar men producten van en naar Curašao vervoerden. Ook gingen de schippers naar de Aves- en Roques eilanden om te vissen maar ook om te smokkelen. Op 21 juli 1864 voer bijvoorbeeld dezelfde bark 'June' onder schipper van Michiel de Groot naar Curašao. Bij slecht weer raakte de bark in de rotsen ten westen van Fuik en het schip ging verloren (zeebrief terugbezorgd op 26 juli 1864 OAC).

Een zoon van Nicolaas Eramus, Franšois Martinus de Jongh, geboren op 20 september 1778 op Curašao was ook schipper. Hij vestigde zich op Bonaire en hij was betrokken bij een incident. Franšois raakte verliefd op een indiaanse slavin en hij 'schaakte' het meisje. De politie gingen hem oppakken want eigenaar De Greef had aangifte gedaan. Franšois betaalde De Greef 800 gulden om de indiaanse vrij te maken en hij trouwde met het meisje dat de naam kreeg Regina De Greef en ze kregen acht kinderen op Bonaire. Op 3 maart 1833 kregen zij op Curašao een tweeling: Maria Hendrietta en Anna Catharina. Getuige was o.a. Maurits Exteen (aktes no. 46 en 47 i.d.1119 en 11l2 Stad). Grootvader Nicolaas Erasmus de Jongh, gaf een bark de naam 'June' genaamd naar kleindochter June Erasmus de Jongh.

In 1825 was Franšois schipper op de bark 'De twee zusters' en hij ging geregeld naar Curašao en naar Puerto Cabello en Rio Hacha om zaken te doen. Op 15 januari 1824 wilde Franšois in zijn bark van Curašao naar Bonaire gaan met inspecteur Casper Lodewijk van Uytrecht. Van Uytrecht was ontvangergeneraal en oud-lid van de Raad van Policie en hij wilde een rapport uit te brengen van zijn bevindingen op Bonaire. Al spoedig bleek dat de schoener geen voldoende ballast had om tegen de wind en de stroom te kunnen opwerken. Het schip dreef af naar het westen, zodat de schipper zich genoodzaakt zag de oversteek benoorden Curašao te proberen. Na twee etmalen vruchteloze pogingen daartoe te hebben gedaan, besloot Franšois bewesten van de kust van Curašao het anker te laten vallen en daar te wachten totdat de stroom zou zijn verminderen. Tenslotte bereikte men Daaibooibaai zodat Van Uytrecht over land naar Willemstad terugkeerde zonder resultaat van het reisje naar Bonaire. Later bezichtigde Van Uytrecht op Bonaire het 'tuyntje' van Nicolaas de Jongh op Lagoen (heet nu 'Wachikemba'). Van Uytrecht was vol lof over de plantage met een schapenkoraal met bijna driehonderd dieren.

Franšois had genoeg verdiend als schipper om een plantage te beginnen in 1850 aan Zapateer. Hij was medeoprichter van de loge Perfecta Igualdad no.10 op Curašao rond 1851. Later werd Franšois ook medeoprichter van de loge 'De Harmonie van het Oosten' op Bonaire. Franšois overleed op de gezegende leeftijd van 97 jaar op 5 maart 1875. Zijn graf is in 2003 gerestaureerd op het Protestantse kerkhof in Kralendijk. Een jaar later, passeerde op 7 augustus 1886 een orkaan vlakbij Curašao. Er was veel schade en er vielen een paar doden.

Koopman

Louis Henry Snoek vond dat hij genoeg gevaren had en hij vestigde zich aan de wal als koopman op Curašao. Bij de geboorte van een zoon van Lorencio Dario Corsica (20) was Louis Henry (25) getuige op 20 november 1890. In de akte bij de geboorte van John Moses Alexis Corsica stond dat Louis Henry koopman was. De andere getuige was Karel Peiliker (23), winkelier.

Louis Henry kocht en verkocht van alles en bezocht geregeld de veilingen om goede 'deals' te sluiten. Op 19 maart 1892 kocht en verkocht hij onderhands een stalhouderij en leverde aan de koopman Johannes Emanuel Pierre niet minder dan twaalf paarden en zes rijtuigen via notaris Jan Hendrik Schotborgh. Hij vroeg 4600 gulden aan Pierre te betalen binnen vier jaren met een rente van 10 procent per jaar. Pierre was de zoon van Maria Helena de Windt, weduwe van J.M. Pierre. Johannes Emanuel was lid van Igualdad sinds 1871. Zijn broer, Willem Frederik Pierre was agrariŰr. Bij de vrijlating van de slaven, kregen zij samen een bedrag van 5800 gulden van de overheid (zie Krafft pag. 358).

Op 8 april verkocht Snoek onderhands aan John Peiliker, een zoon van Pieter Peiliker een groot deel van de inboedel van het Hotel Brion bij het Brionplein. Louis Henry leverde een indrukwekkende lijst. Als koopman was hij dus ook een soort bankier. Zelf behield hij mooie antieke kasten, tafels en stoelen. Hij had een fijne smaak. Zijn belangstelling ging voornamelijk uit naar meubels van de Curašaose schrijnwerkers. Hij kende de familie Chapman: William Paul (1798-1880) die in de ConsciŰntiesteeg een 'winkel' had en William jr. Tiburcio (1831-1926). William Paul ook wel genoemd William Paulus, was van beroep schrijnwerker en de familie woonde aan de Sebastopolstraat no. 9. Hij was getrouwd met Ana Margaritha de Lima, dochter van Isaac Abinum de Lima. Op een advertentie van de Curašaosche Courant van 22 juli 1865 staat dat: ''hij eenieder verzoekt geen vuil te storten op 'Rootje' tussen de timmermanswinkel en de waterweg''. Kennelijk was Rootje een terrein bij het huis van de Chapmans Sebastopolstraat 9, (eigendom van Philip De Haseth Chapman (1895-1977) dat in 1958 werd gekocht door het Eilandgebied en diverse huizen werden afgebroken om een pleintje maken en een autobus-station.

De eerste Chapman op Curašao was Henry Chapman, geboren rond 1780 en hij vestigde zich op het eiland tijdens het engelse bewind van 1807-1816, William Tiburcio jr. was getrouwd met Rosa Domitilia de Lima. Haar vader Genereux Jacob Richard de Lima (1811-1878) was een bekende scheepskapitein, reder en zakenman. Zijn vader, Isaac Abinun de Lima was joods en zijn moeder, Regina Jesurun, was een halfbloed. Bij de societeit de 'Gezelligheid' werd hij genoemd Shon Genereus. William jr. werd een compagnon van Genereux de Lima in de handelsfirma G.J.R. de Lima & Co. William Chapman 'Wiwi' erfde van zijn schoonzoon vier panden aan het Brionplein (nos 226, 228, 229 en 230. Deze huizen werden o.a. verhuurd aan de hotels 'Curašaose Hotel', 'Amicitia' en Hotel Brion.

Loge Igualdad

Op 20 februari 1893 (register lid 254) werd Louis Henry (28) lid van Igualdad. Zijn broer, John Wilhelm Snoek was al eerder vrijmetselaar. Hij werd lid op 18 juli 1891 (uit register lid 246) van de Igualdad. Toen John Snoek (23) zich aansloot bij de loge Igualdad no. 653 E.C., waren er amper dertig leden. Tien jaar daarvˇˇr waren er slechts twintig leden maar door een campagne voor ledenwerving in 1890 kwamen er diverse jonge leden zoals de tandarts Gustavo A. Nouel (22) die woonde aan de Brionplein, John Ecker (36), een boekhouder uit Panama , de drukker Benjamin Veeris (28) en de tandarts E. Pinedo (21). Een van de oprichters van Igualdad was Genereux de Lima. Op 13 augustus 1866 zat Genereux in de commissie voor de begraafplaats 'Univeselle' aan de Roodeweg.

Bij de vergaderingen gingen de twee broers eerst naar het gebouw aan de Frederikstraat. In 1892 kreeg de loge Acacia no. 35 een geschenk bestaande uit zwaarden, zilveren kandelaars, meubels en andere noodzakelijkheden. Een paar jaar later, onder het voorzitterschap van de Igualdad, Henry Pietersz, werd het gebouw verkocht aan Jan Frederik Gorsira voor het bedrag van tienduizend gulden. Het bestuur besloot een ander gebouw te kopen aan de Gravenstraat. Bij de verbouwing kreeg de loge De Vergenoeging toestemming om voorlopig in hun gebouw te vergaderen. Op 22 december 1894 op zeven uur 's avonds, werd het gerenoveerde gebouw aan de Gravenstraat officieel geopend. Onder leiding van Thomas S. Pietersz werd muziek ten gehore gebracht door een militaire band. Een paar jaar later, in 1896, vroeg Louis Henry vergunning voor een hotel, 'Gran Hotel' op Scharloo, maar heeft die niet gekregen.

Bij de loge Igualdad in de Gravenstraat werd een 'watermeter' ge´nstalleerd om de verkoop van zoet water uit een grote regenbak te controleren. De leden gingen het water verkopen. Tien procent van de opbrengst was voor de loge. Een buitenlandse vrijmetselaar, een dokter, vond het een heel goed idee want iedereen moest twee blikjes water per dag te baden om ziektes te voorkomen.

Conscientiesteeg, Otrobanda Louis Henry handelde ook in onroerend goed in Otrobanda. Hij kocht en verkocht huizen en terreinen en ook van diverse anderen bij publieke verkopen. De meeste aktes liet hij passeren bij notaris Cornelis Gorsira (aktes no. 40, 42 en 44 aan de Breedestraat en aktes no. 127, 131, 145, 152 en 153 aan de Consc´entiesteeg). Zijn 'buren' waren o.a. Maria Isabella Touro, Jacob Cohen, Jan Martin Ellis, Rigobertus Boom, Johannes Daal, Francisco Andries, Cornelis en Anthony Raven, Isaac Gaatman, R.D. Schoonenwolff, C.R. Vaerst, Mathilda Elisabeth De Windt, de wed. A. Bonart, Anna Maria Morales en Constancia Schotborgh. Louis Henry kocht ook op 12 juni 1894 van Gerard de Haseth Daal een stuk grond met een huis aan de noordzijde van de Breedestraat. Hij betaalde het bedrag van 5400 gulden. Een jaar later op 3 juli 1895 kocht hij bij een openbare veiling twee huizen en grond aan de ConsciŰntiesteeg aan de westzijde (richting de haven) in de 'vijfde wijk' met de huisnummers 336 en 346. In de akte no. 153 staat beschreven ''een stuk grond bestaande uit een huis, gaanderij, voorhuis, combuis en kleine kamer, benevens een plaatsje waarin staat een oven (thans niet meer bestaande) en een put van brakwater. Zijn buren aan de Breedestraat waren: Pieter Clarenberg, Jurriaan Crisson, Salomon BultÚ (hij was in 1818 'praktizijn' bij het College van commercie en zeezaken) en hij woonde eerst aan de Winkelsteeg 10-11 in Otrobanda. Het huis was gebouwd uit de achttiende eeuw. Hij verkocht het huis aan Petronella Duyckinck in 1809 een broer van Gerard Duyckinck. Bij het overlijden Petronella Duyckinck werd de eigenaar Roelof Dirk Schoonewolff bij een openbare verkoop in 1837.

Ice Cream Saloon

Louis Henry begon daarna een 'Ice Cream Saloon' naast het 'Hotel Americano' en tegenover de muziekkiosk 'Wilhelmina' op het Brionplein. In een boekje geschreven door Henry A. Leyba bij de viering van de kroning van koningin Wilhelmina (31 augustus 1898) staat o.a.: 'Ice Cream Saloon' de L.H. Snoek, Helados, Cerveza fria, refresco i Cigarillo. Frente al Kiosko de Otrobanda'. In de jaren rond 1920 werd de kiosk verhuisd richting West End tegenover de school 'St.Martinus Gesticht'. Louis Henry gaf zijn zaak de naam 'Summer Garden' en verkocht er behalve ijsjes ook limonade, bier en sigaretten. In de middaguren en vooral in het weekend gingen zowel de kinderen als volwassenen er zitten om een ijsje te eten en iets te drinken. 'Summer Garden' was een fraai gebouwtje met een bijzondere voorgevel met een puntdak. In 1905, na het overlijden van Louis Henry Snoek, begon Alberto Badaracco het 'Hotel Americano' en nam hij de 'Ice Cream Saloon' over.

De succesvolle zakenman Louis Henry en zijn vrouw Anna Carolina kregen twee zonen: Michael Levi Henry Snoek en John Jozef Marie Snoek. Louis Henry hoopte dat de eerste zoon stamhouder zou worden, maar helaas overleed Michael die op 25 november 1886 geboren was toen hij slechts 14 jaar oud was op 10 september 1900. Broer John en zijn vrienden Kai Peilikers en de familie Penso (John Peiliker was getrouwd met Julia Penso) en andere families waren bij zijn begrafenis. Kai (Karel Wilhelm Peiliker) was lid van de loge Igualdad (no. 256), ge´nstalleerd op 12 mei 1894). Michael werd begraven op het Protestantse kerkhof en Louis Henry zorgde ervoor dat er een dubbele 'kelder' werd gebouwd, nr. K 154. Amper een jaar later overleed eerst Anna Carolina op 28 maart 1901 en twee maanden later, op 25 mei 1901 overleed Louis Henry Snoek, oud 35 jaar. Hij kreeg een andere 'kelder', no. K 154 op het Protestantse kerkhof. In het register van graven van de VPG is genoteerd dat Louis Henry zeeman was en daarbij staat de aantekening de naam ' van Alphen' ?

Brooklyn

De andere zoon, John Jozef Marie Snoek, werd geboren op 15 oktober 1898 en gedoopt op 27 maart 1899. Padrino en madrina waren Aurelio Bouwmeester en Julia Boom. Na het overlijden van zijn ouders had John een spaarbankboekje gekregen bij de Curašaosche Spaar- en Beleenbank. Hij was toen amper drie jaar oud en de rente werd elk jaar bijgeschreven beginnende in 1902 door zijn oma Elisabeth Snoek-Bos. In 1907 bedroeg het saldo f. 1.066,- en de rente bedroeg f. 142,34.

Toen John Marie 19 jaar was besloot hij te gaan varen. Hij ging naar New York en kwam daar op 30 september 1918 aan bij de Marine Harbor in Brooklyn en monsterde op 15 oktober aan op het schip 'Coamo' dat voer op Puerto Rico. De 'Coamo' was een schip van 4.275 bruto ton met een lengte van 385 voet en 46 voet en had een snelheid van veertien knopen. Het schip was gebouwd in Schotland in 1891 onder Engelse vlag en kreeg de naam 'State of California' later gedoopt tot 'Californian'. Het schip strandde bij Portland aan de kust in 1900, werd losgetrokken en gerepareerd en tenslotte verkocht aan de New York & Porto Rico Steamship Company onder Amerikaanse vlag met de naam 'Coamo', een plaats in Puerto Rico. Het schip werd in 1925 als schroot verkocht.

Het stoomschip 'Coamo' waarop John Jr. Snoek voer Op 6 april 1919 monsterde John M. (22) aan in New York op het schip 'Maracaibo' van de Red D Line dat voer van New York-Mayaguez Pt.Rico-Maracaibo-Curašao-New York. Hij kreeg daarbij de kans om zijn oma Elisabeth op te zoeken voor zijn heel kort verblijf aan de haven in Willemstad. Na een jaar later ging hij varen op het schip 'Santa Marta' en kwam aan op 30 september 1920 en op 28 juli 1921 uit Kingston Hilton. Tenslotte ging John M. varen op een nieuw en groot schip de 'Orizaba', een 'Mail Steamship' van New York naar Havana en terug. De 'Orizaba' had een inhoud van 7.586 br.ton met een lengte van 444 voet en zestig voet breed voorzien van stoomturbines en een dubbele schroef. Het schip had een snelheid van 17 knopen en vervoer 430 passagiers (360 eerste klas, 60 tweede klas en 63 derde klas. De 'Orizaba' was eigendom van de 'Ward Line' een populair tweelingschip van de 'Siboney'. In 1924 werd de 'Orizaba' omgetoverd tot een 'Amerikaans hotel' met een grote lounge, dure tapijten en antieke meubels en met echte palmen. Op 30 januari 1923 was John M.Snoek (27) 'messboy' op de 'Orizaba'. Volgens het manifest van het schip had hij een lengte van 5.7 voet en woog 135 pounds. (List of manifest of Aliens U.S. Department of immigration service). Hij had diverse Curašaose collega's aan boord o.a. Henrique Pietersz, Albert Rosario, Adolph Henriquez (25), Miguel Kroon (19) en Antonio Wagner (19). In de Tweede Wereldoorlog werd in 1941 de 'Orizaba' omgebouwd tot oorlogschip. Tenslotte werd het in 1945 schip verkocht aan de Braziliaanse marine, vloog het jaar daarna aan de Braziliaanse kust in brand maar werd gerepareerd en later verkocht als schroot.

Hofmeester John Snoek

De jongste zoon van Levie Snoek en Elizabeth Bos, John Wilhelm Snoek had het varen ook in de benen. Nauwelijks 16 jaar oud koos hij voor het ruime sop. Eerst werden het korte reisjes in het Caribische gebied, later werd hij 'hofmeester' (een hofmeester is ÚÚn persoon op een schip, belast met de maaltijden en de logies) aan boord van het zeilstoomschip de S.S. Philadelphia van de 'Red D Line' dat voer naar Amerika tot New York, La Guaira en Puerto Cabello. De 'Red D Line' bracht en haalde vracht en post. Een beperkt aantal passagiers waaronder zakenlui, zoals Nederlanders uit Curašao en af en toe een Amerikaan konden ook mee. John had zijn eigen kantoortje op de S.S. Philadelphia om zijn administratie te regelen.

Red D Line aan de Handelskade Uit het vaartschema van de Philadelphia bleek dat John Snoek weinig tijd had om zijn familie te bezoeken op Curašao: op 7 maart 1889 vertrok hij uit New York en kwam aan op 14 maart op Curašao. Een dag daarna vertrok het schip naar Puerto Cabello en op 16 maart naar La Guayra. De volgende dag al ging het schip naar New York en kwam aan op 24 maart. De terugreis uit New York naar Curašao vertrok op 26 maart en kwam aan op het eiland op 2 april. In de 'Curašaose Courant' van 31 mei 1889 stond dat de Philadelphia ''expresselijk in de stad Philadelphia was gebouwd met gerieflijke kajuiten voor de passagiers'. Kapitein van het schip was de Amerikaan Hopkins. Agent van de 'Red D Line' was Rivas Fensohn & Co met een kantoor aan de Rouvilleweg 39-41 aan de Matheywerf. De Matheywerf was vanaf 1823 eigendom van Anthony Mattey. Mordechai Salomon 'Guigi' Maduro (geb. 30 oktober 1851) werd president commissaris van Maduro & Sons. Guigi en zijn vrouw Emma Lopez Penha, waren goede kennissen van Levi Heijman. Moises en Emma trouwden op 16 juni 1880. Guigi Maduro overleed op 15 november 1918 aan boord van de S.S. Philadelphia.

De naam Red D Line is ontleend aan John Dallett, een rijke zakenman uit Philadelphia. Dallett importeerde vanaf 1823 koffie uit Venezuela en hij deed goede zaken met de Amerikaanse miljonair John Boulton, die belangrijke kontakten had in Caracas. De opstandige generaals Simon Bolivar en Francisco de Miranda gingen naar Amerika om de onafhankelijkheid van Venezuela voor te bereiden en dat is gelukt op 5 juli 1811. De handel tussen Venezuela en Amerika groeide dusdanig dat John Dallett een eigen scheepsmaatschappij begon. De 'huisvlag' op zijn schepen was een witte vlag met een grote rode D van de Red D-line. Er waren maar een handjevol scheepsmaatschappijen, die de havens van Venezuela binnen konden komen: uit Nederland ('Koninklijke West Indisch Maildienst) via Curašao en Duitse scheepsmaatschappijen. Curašao werd een belangrijke transito haven voor Venezuela. De 'Philadelphia' van de Red D Line was niet alleen een vrachtschip maar er waren ook passagiers aan boord. De bemanning van het schip 'Philadelphia' van de Red D Line: kapitein Samuel Hess, eerste stuurman William Wilkinson, tweede stuurman John Skelinno, machinist George Campbell en verder de purser, steward, twee reserve machinisten, drie olie en kolen beladers, twee kwartiermeesters, een bootsman, een timmerman, zes ervaren matrozen, zes gekleurde waiters, drie koks, een pantry-man en een stewardess. De jonge John Snoek was de eerste Curašaose 'steward' (hofmeester) aan boord van de Red D Line.

Een van de passagiers, Edward T. Hall heeft van zijn reis met de Philadelphia in de lente van 1887 een verslag gepubliceerd met een uitgebreide beschrijving van zijn verblijf op Curašao.

John was amper gaan varen toen hij op 5 juli 1884 getuige was van een ernstig ongeluk in de haven van de Sint Annabaai. John was vlak bij toen hij een enorme klap hoorde. Het bleek dat het Duitse stoomschip 'Thurginia' de haven binnenvoer en met grote snelheid de S.S. 'Mediator' met geweld ramde. De 'Mediator' onder commando van kapitein Robert Ellis kwam net uit India met een lading van 1158 ton aan stukgoederen op weg naar West IndiŰ. De reis ging via Barbados, Trinidad, La Guaira en Porto Cabello om daar te lossen. Bij een verkeerde manoeuvre raakte het Duitse schip de 'Mediator' aan het stuurboord en zonk kort daarna. De 'Thurginia' had nauwelijks schade. De manschappen geholpen door een aantal werklieden om de lading te lossen en naar de kant te brengen. Grote golven drongen het schip binnen door een gat van ruim acht voet lang en drie voet breed en om half vijf 's middags ging de 'Mediator' naar de diepte. John en zijn oudere broer Louis Henry vertelden vader Levie Heijman wat er was gebeurd en moeder Elizabeth was onder de indruk van de ramp.

John maakte daarna talloze reizen naar Amerika. Hij kreeg veel Amerikaanse kennissen. Hij noemde zich toen John 'William' en dat werd zijn vaste naam. Een van hen was de bekende Leonard Burlington Smith, zelf ook zeeman en geboren in het plaatsje Mill Creek in Massachussets. Hij was op 20-jarige leeftijd al kapitein op een schip uit Boston dat voer naar de Middellandse Zee, naar Afrika maar ook naar West IndiŰ. Op een van zijn reizen maakte hij kennis met Curašao, werd op slag verliefd op de prachtige haven en de vriendelijke mensen die in Willemstad woonden en hij besloot er te blijven. Met zijn handigheid en zijn technische kennis begon hij een ijsblokkenfabriek. Op 9 maart 1886 vroeg hij een concessie bij de Koloniale Raad en gouverneur Nicolaas van de Brandhof voor de bouw van de eerste schipbrug op Curašao en kreeg die ook. Later kreeg hij ook concessies voor de elektriciteit en de waterdistillatie en werd hij tevens Amerikaanse consul toen hij werkte voor S.E.L. Maduro & Sons. Inmiddels kwam in 1880 Gustaaf Hellmund met een plan voor twee ferrystoomboten tussen Punda en Otrobanda. In 1882 werd de Amsterdamse N.V. Maatschappij tot exploitatie Haven- en Brugdienst opgericht. In oktober 1882 kwamen de twee stoomboten met een eerste en tweede klasse, gescheiden van afdelingen voor 'heren' en 'dames'.

Brug

Op 5 juli 1888 werd door gouverneur Van den Brandhof een commissie van drie personen ge´nstalleerd: de Havenmeester, het hoofd der Bouwconstructie en de commandant van de Artillerie van het Garnizoen. Zij hadden uitgerekend dat het bouwen van een pontonbrug over de Annabaai een rendabel project zou worden. Men schatte dat per dag 7000 mensen erover heen zouden lopen. De bouw begon aan de Otrobandazijde. De pontjes van de brug werden gebouwd in het Amerikaanse Camden in Main en werden met de motoren en onderdelen met zeilschepen vervoerd naar Curašao. Op 8 april 1888 schreef Smith in een brief aan de gouverneur dat de brug klaar was voor de eerste inspectie. Koningin Emma brug Hij stelde voor de brug de naam 'Alliance' te geven, omdat door de brug Otrobanda en Punda werden verenigd. Maar gouverneur Van den Brandhof besliste anders, de brug zou de naam krijgen van Koningin Emma der Nederlanden. Op 8 mei 1888 zou officieel de Emmabrug opengaan met toespraken door de Koloniale Raad en uiteraard door de gouverneur. Maar gouverneur Van de Brandhof was ziek. En kreeg Solomon (Sol) Cohen Henriquez de honneurs van de vice-voorzitter van de Koloniale Raad. Kapitein Leonard Smith had een commissie samengesteld voor de feestelijkheden, bestaande uit Jan Beaujon van het Hof van Justitie, de Havenmeester Petrus de Gorter, Alejandro (Chandi) de Pool en Mark Calisch. Na veel toespraken en een receptie bij de Havenmeester kreeg het publiek eindelijk de gelegenheid om over de brug te lopen van Otrobanda naar Punda en vice-versa. De marechaussees en veldwachten moesten de menigte in het gareel houden uit vrees dat de brug het niet zou houden, maar alles ging goed. Leonard Smith had besloten dat de mensen drie dagen gratis van de brug gebruik konden maken. Daarna werd er tol geheven: 2 centen om eroverheen te lopen, behalve voor de arme mensen en zij die geen schoenen droegen. Grappenmakers verstopten van tevoren hun schoenen om niet te hoeven betalen. Leonard Smith was een ondernemende man. Hij nam het initiatief voor de aanleg van elektrische verlichting in plaats van het gaslicht in Otrobanda en Punda. Smith had ook een ijsfabriek aan het Rif en een steenkolendepot bij het werf. Later begon hij ook met de aanleg van waterleiding.

Op een terrein bij Plantersrust boorde Smith een aantal putten en plaatste daarbij windmolens. Er kwam een reservoir van 360 kubieke meter en het water werd in buizen naar de stad gebracht. De diepte van de putten was ongeveer 150 meter beneden de zeespiegel. De druk was genoeg om het water naar alle huizen en op alle verdiepingen te brengen De hoeveelheid bleek voldoende, maar uiteindelijk werd het water brak en ongeschikt voor drinkwater en alleen geschikt voor was- en badkamer. Regenwater was trouwens ook duur, 30 tot 35 cent per blik. In een grote ton met water, getrokken door een ezel, werd het water verkocht langs de huizen. Maar de armen dronken toch brak water met alle risico's voor de gezondheid. De meeste planters brachten water naar de stad in galeivaten ('alefaten') waarvan een ezel er twee kon dragen. Aan de noordzoom van het Schottegat lagen de waterplantages: De Hoop, Valentijn, Asiento en Groot Kwartier. Het water werd vervoerd met waterkano's of waterponten. Op deze plantages had men gemetselde watergoten waardoor het water van de put, waaruit het door middel van een met de hand bewogen putrad omhoog werd gebracht. Van hieruit stroomde het water naar de oever van het Schottegat waar de kano's en ponten klaarlagen. De planters vroegen rond 1875 vijftig cent, soms 75 cent per 'boco' (vat) en de leverantie in de stad kostte f. 1,20. De opening van de Grote Brug op 8 mei en het feest eromheen heeft John Snoek niet meegemaakt, omdat hij toen onderweg was met het schip de S.S. Philadelphia van de 'Red D Line'. Een week later was hij terug op Curašao en liep hij voor de eerste keer over de brug van Otrobanda naar Punda.

James Reith

John kende ook James Reith persoonlijk, een Schotse zeekapitein die geregeld ging varen tussen Maracaibo en Curašao. Hij trouwde met een Venezolaanse, Maria del Rosario. Zij kochten een huis in 1887 van de weduwe Johanna de Rochemont Jutting. Haar man, Jan Ernst van der Meulen had het terrein van de Westwerf gegeven aan zijn zoon Jan Willem van der Meulen. James Reith betaalde het huis voor de aanzienlijke prijs van 16.500 gulden. Een jaar later kocht James Reith een steil stuk terrein aan de achterzijde van zijn perceel (thans Hoogstraat 10-12). Op een van de bijgebouwen werd een verdieping gebouwd met tegen de westzijde een hoge uitkijkpost. Van daaruit had de kapiteit vrij zicht op zee en kon hij schepen de St. Annabaai zien binnenvaren. Reith overleed in 1903 en hij werd begraven op de Protestantse kerkhof aan de Roodeweg met een obelisk van roze graniet met zijn naam. Vˇˇr het overlijden van James Reith werden er geregeld feesten gehouden in de Hoogstraat. Het koude bier vloeide rijkelijk dat kwam van de Red 'D' Line. Na het overlijden van captain James mocht zijn 'geliefde echtgenote' ongestoord in het huis blijven met ale meubels en huisraad. Langs de westzijde van het huis stond een koetshuis met paardenstallen en een aantal bijgebouwen.

John kwam Leonard Smith nog geregeld tegen in Otrobanda waar ze niet ver van elkaar woonden. John is opgegroeid in het huis bij de Langestraat. Bij een van zijn reizen met de S.S. Philadelphia naar Amerika, had hij vˇˇr vertrek zijn foto laten maken bij de bekende fotograaf Felix Roberto Soublette en Robert Soublette. Robert is geboren op 9 oktober 1816 en hij ging in dienst bij het garnizoen. Zijn vader was Anthonie Soublette gehuwd met Maria Johanna Voss. Felix was ook zeeman en daardoor kende hij John goed. De fotograaf had zijn atelier 'La fotografÝa cosmopolitano' aan de waterkant (nu Rouvilleweg, het gebouw werd afgebroken voor de bouw van een nieuwe politiepost. Ook dit gebouw werd later opgeruimd). Vader en zoon Soublette waren van Venezolaanse afkomst, ondanks hun Franse naam. De Soublette's waren wellicht familie van generaal Soublette die samen met Simon Bolivar heeft gevochten tijdens de Venezolaanse vrijheidsoorlog. De vrouw van John, HenriŰtte DeVriendt, kreeg later een mooie foto gemaakt door Soublette. Op de foto staat John Snoek met zijn grote sierlijke snor en in zijn fraaie uniform als hofmeester. Op 1 september 1887 sloot Robert Soublette zijn etalier.

John Snoek was een goede vriend van Karel Wilhelm Peiliker. 'Kai' was een handige zakenman. Hij verkocht en verhuurde o.a. orgels. In die jaren waren orgels zeer 'en vogue' vooral bij feestjes. 'Kai' was de zoon van Pieter Peiliker en zijn vrouw Jeannette Bos, zwager van Heijman Levi Snoek. 'Kai' Peiliker was een drukke en luidruchtige man, maar kon ook heel erg serieus zijn, met name bij begrafenissen. Hij was 'voorlezer' bij de gereformeerde protestanten en zorgde voor het regelen van het aangeven van de overledenen bij de Burgerlijke Stand. Bij begrafenissen riep 'Kai' Peiliker met luide stem: ''Heren, familie, vrienden en bekenden worden vriendelijk verzocht zich achter het lijk te volgen'', om de droeve stoet naar het kerkhof te begeleiden. Rond 1908 ging Kai Peiliker wonen op Aruba. Er is een foto waarop hij staat als voetballer, een lange gesnorde slungel met een pet op. Hij was bij het eerste elftal van de Aruba Voetbal Vereniging. Het voetbalveld moest door de jongens zelf worden aangelegd. Naast hem stond op de foto de arts J. Oduber. Kai overleed op 26 april 1934.

Bij een soiree op het Brionplein maakte John Wilhelm Snoek kennis met HenriŰtte Elisabeth de Vriendt. Hij vertelde haar van zijn avonturen op zee en zijn reizen naar het verre Amerika en dat hij altijd blij was als hij weer terug was. Curašao bleef hij een ideale plaats vinden met zijn heerlijke klimaat in vergelijking met de kou in Amerika. Het rustige kleine Curašao vergeleek hij met de drukte van grote steden als Philadelphia, Baltimore, New York en San Juan op Puerto Rico. Als hij niet op zee was, ging hij op de zaterdagavond naar de loge van de vrijmetselaars. Urenlange gesprekken had hij dan met zijn 'broeders' bij de Igualdad, o.a. de Chapmans, De Jonghs, Nouels, Peilikers en Prince. Ook met de joodse 'hazzan', Moise Leao Laguna, geboren in Amsterdam in 1840 en kwam aan op Curašao in juni 1884. Hij werd ook leraar en mededirecteur van de Colegio Baralt, een jongenschool en schreef een catechismus in het Hollands en in het Spaans maar het bleef een manuscript. Hij bleef werken op Curašao tot zijn overlijden in 1917.

Belg

HenriŰtte Elisabeth vertelde op haar beurt dat zij protestant was en dat zij elke zondag naar de kŔrki ging. Haar ouders heeft zij amper gekend want vader Charles Louis de Vriendt overleed toen zij ÚÚn oud oud was en moeder Sophia stierf zes jaar later. Zij groeide op als wees en had als haar voogd Willem 'Wewe' Johannes Jolley. Zijn vader James Jolley was toeziend voogd met zijn vrouw Adrianna Rosina van Hall. Zij woonden toen aan de Roodeweg in Otrobanda.

De familie de Vriendt kwam uit West Vlaanderen. De eerste de Vriendt op Curacao was Carolus Ludovicus de Vriendt (Charles Louis), gedoopt op 8 december 1818. Hij diende in het Belgische leger en vluchtte uit Belgie naar Nederland. Zijn ouders waren Franciscus Josephus De Vriendt (geboren rond 1793) en Coleta Verhelst. Franciscus was goudsmid in het plaatsje Diksmuide vlakbij Ieper. Franciscus las geregeld de Gazette van Brugge en als jongeman volgde hij de terechtstelling in Ieper in 1812 van Jacques Deckmyn. Deze 45-jarige man, geboren in Roubaix, was marktkramer en werd beschuldigd van brandstichting in Oostnieuwkerke. Hij werd op 11 september 1812 door het assisenhof ter dood veroordeeld en op 6 februari 1813 publiekelijk terechtgesteld in Ieper. Daarvoor werd een guillotine gebracht uit Brussel. In de periode van 1811-1867 werden 284 mensen ter dood veroordeeld waarvan acht onder de guillotine.

Gezien de slechte economische en politieke in die jaren besloot de 26-jarige Carolus Ludovicus te vluchten naar Nederland. Hij ging in 1845 naar Breskens in Zeeland en meldde zich bij het 'Koloniaal Depot' en vertrok naar West IndiŰ. Een paar maanden later kwam hij op 16 juli aan op Curašao met een transportschip. Bij het garnizoen werd hij ingedeeld bij de artillerie. Korte tijd later werd hij overgeplaatst naar de jagers en het muziekkorps bij het Garnizoen. In 1849 trouwde hij met de 19-jarige Cornelia Nicolina van Hall, dochter van Joannis Baptista van Hall en van Petronella Borgstrom. Joannis van Hall was ook Belg. Hij kwam oorspronkelijk uit het plaatsje Kalmthout bij Antwerpen en hij werd zeeman in Vlissingen. Als adelborst vertrok hij naar Curašao. De eerste zoon van Ludovicus was Charles Louis de Vriendt. Hij werd brigadier bij de Marechaussee. Hij trouwde op 3 februari 1867 met Sophia Hasselmeijer, 18 jaar oud. Bij het huwelijk waren de getuigen James Jolley, een goede strijdmakker van Charles en Josephina Henriette Vliers. Namens de bruid waren de getuigen Christiaan Frederik Garmers en Johanna Pieternella Boom. Charles en Sophia kregen hun eerste kind op 27 juli 1868 en zij noemden hem Charles Dirk. Hij overleed echter een half jaar later. Op 13 september 1865 overleed vader Ludovicus. Hij was katholiek en bij zijn uitvaart was er een dienst in de kerk van Santa Ana in de Breedestraat en hij werd begraven op de katholieke begraafplaats aan de Roodeweg. (gegevens uit de overlijdsregisters van de katholieke kerk Santa Anna)

De ouders van Sophia waren Carl Dirck Hasselmeijer en Henriette Elisabeth Dam. De eerste Hasselmeijer op Curašao was Christoffel Hasselmeijer. Hij kwam als militair uit het plaatsje Kunnen, een schiereilandje aan de grens van Denemarken en Duitsland en trouwde met Anna Frederika Abel (geboren op 6 oktober 1787). Haar vader, Jacob Frederich Abel (geboren rond 1760) was getrouwd met Anna Elisabeth Werner. De grootvader van Anna Elisabeth, Johannes Willem Werner (rond 1730 geboren) kwam uit het stadje Halle in de Duitse provincie Saksen. Jacob Frederich Abel en Johannes Frederick Werner waren niet alleen zwagers en grote vrienden van elkaar, maar ook nog collega's want beiden waren goud- en zilversmid. De Hasselmeijers, Abels en Werners waren luthers van geloof. Christoffel Hasselmeijer was seinmeester bij het garnizoen. Hij had in 1809 een huis gekocht aan Vianen (Pietermaai) van Jan Hendrik Rhode. Het was een huis met drie vertrekken, combuis, binnenplaats en een brakke put. Bij zijn werk op seinpost bij Oostpunt overleed Christoffel plotseling.

Huwelijk

John Snoek en HenriŰtte Elisabeth de Vriendt trouwden op 25 januari 1893 om elf uur 's morgens in "kranchi" in Willemstad. Getuigen bij het huwelijk waren John's broer Louis Henry Snoek en zijn moeder Elizabeth Snoek-Bos, James Jolley als toeziend voogd, Richard Joseph Hoyer (48 j.), koopman, George August Laan Ferguson (68 j.), beroepsofficier Gezondheid in het garnizoen, en Manuel Penso Curiel (61 j.), koopman. De voogd van Elisabeth de Vriendt, Willem 'Wewe' Jolley, woonde toen in de gemeente Santa Barbara, Maracaibo en hij moest tekenen voor het huwelijk van Elisabeth want zij was nog minderjarig en hij schreef op 15 december 1892 een brief in het Spaans voor secretaris Rafael Gallegos Celis van de gemeente met de nodige gegevens voor Elisabeth en haar aanstaande echtgenoot John Wilhelm Snoek. Daarna certificeerde de Nederlandse vice-consul in Maracaibo, M.D.C. Gomez de verklaring van Rafael Gallegos.

In de Fortkerk vond de inzegening plaats door dominee D.H. Snel in aanwezigheid van John's broer, Louis Henry en diens vrouw Carolina de Groot, verder de beste vrienden van John en de kennissen van HenriŰtte Elisabeth. Het echtpaar kreeg op 2 december 1895 hun dochter Sophia Adriana, genoemd naar haar pleegdochter Adrianna Rosina van Hall. Zij werd anderhalf jaar later thuis gedoopt op 19 maart 1896. Padrino en madrina waren James Jolley en zijn vrouw Adrianna van Hall. Adriana van Hall is geboren op 16 augustus 1836. Adriana (20) trouwde op 17 juni 1857 met James Jolley (25). James was muzikant bij de jagers in het Garnizoen. Hij kwam uit St. Christopher (St. Kitts) en zijn ouders waren James William Jolley en Anna Kung. James en Adriana waren nog niet getrouwd toen zij een zoon kregen, Willem Johannes Jolley. Toen Willem 20 jaar oud was meldde hij zich bij de schutterij. Hij kreeg een relatie met Zephier Fraai en zij kregen in 1874 een zoon, Willem Hans Jolley.

Willem Hans (23) werd in 1885 sergeant bij de schutterij en hij verkocht 'Victoria Water' uit Duitsland samen met Jan Monsanto. In die jaren was er een Schutterraad met als kapitein S. Senior, eerste luitenant H. Gerlein, tweede luitenant Richard Joseph Hoyer, sergeant majoor Johan Julian Ecker, sergeant A. J. Brouwer, korporaal J.W. van der Meulen, schutters W. de Jongh, Leon Leyba en Henry Hypolite Richard Chapman. (Curašaosche Courant 13 december 1882)

Willem 'Wewe' Jolley bleef een huisvriend van de familie Snoek. Als fluitist vormde hij een muzikaal trio met Jacob van Kleunen (klarinet) en met Gabriel. Jacob van Kleunen, geboren in 1794 in Borsselen, kwam als soldaat en diende in het garnizoen en kwam aan in 1815 met de Z.M. brik 'Valk'. Zoon Willem Hans Jolley werd employÚ bij de Arend Petroleum Maatschappij op Aruba. Hij trouwde op 22 december 1928 met Bertha Casilda Kuiperi. Hans stichtte in 1937 de Sociedad Bolivariana die op 17 december haar clubgebouw opende. Het Centro Bolivariana in Caracas sponsorde het gebouw met een bedrag van 20.000 bolivars. Op een foto staat hij samen met Cai Winkel, toen voorzitter van de Sociedad. Later onderhandelde Willem Hans met belastingambtenaren en zakenlieden uit Ecuador en uit Panama. In de jaren dertig was hij onderdirecteur van de Banco Arias Ferraud. Het echtpaar verhuisde op 19 februari 1938 naar Curašao en gingen wonen aan de Trapsteeg no. 23 Otrobanda. Willem Hans overleed in 1945 op Curašao of in Cuba en zijn weduwe Bertha overleed twee jaar later in Havana, Cuba.

Op 8 april 1899 werd HenriŰtte Elisabeth Snoek geboren en overleed op dezelfde dag. Het kindje werd begraven op het protestantse kerkhof (kinderkerkhof genummerd 63). De 67-jarige James Jolley deed de overlijdensaangifte bij de burgerlijke stand. Henry Louis (Dei) , de eerste zoon van John Snoek en van HenriŰtte is geboren op 27 oktober 1900 . Anderhalf jaar daarna op 18 mei 1902 kregen Dei en Fichi er een zusje bij: HenriŰtte Rosina Snoek. Het was een klein gezellig gezinnetje nu vader John zich als zakenman gevestigd had en meer thuis was. Samen met zijn vrouw HenriŰtte Elisabeth genoot hij van de kinderen. Henry Louis kreeg de naam van zijn Johns broer Louis Henry.

John kocht op 5 maart 1900 voor het bedrag van vierhonderd gulden een huis van de oud-hospitaalmeester James Jolley. Het huis was gelegen aan het uiteinde van de Conscientiesteeg nr. 344 op de plaats Makaya . Het was een 'afdak', een eenvoudig en klein huis ten behoeve van zijn eerste kind Adriana Sophia Elisabeth Snoek die toen vijf jaar oud was. Zijn vrouw was in verwachting van hun tweede kind. John Snoek keek twee maanden later op 6 mei naar de viering bij de officiŰle onthulling van een borstbeeld van koningin Wilhelmina in het Wilhelminapark op Pietermaai. Gouverneur Charles Barge hield een toespraak over de situatie op Curašao. Over de stilstand en achteruitgang in handel en scheepvaart, over de droogte en mislukte oogsten en over de onzekere politieke situatie in de omliggende republieken zoals Venezuela en Sto. Domingo. Er waren volgens Barge geen lichtpunten die hoop gaven op een gunstige wending.

Op februari 1901 kreeg Curašao bezoek van het luxe Duitse jacht 'Prinzessin Victoria Luise', dat met 200 passagiers een cruise maakte vanuit New York. De passagiers konden rondrijden op het eiland met rijtuigen met vier zitplaatsen. De prijs was toen twee dollar per uur. Met een gids kostte dat vijf dollar per dag. Als toeristische attractie werd de plantage Hato met zijn grot en bron aanbevolen, waar de eigenaresse de gasten persoonlijk rondleidde. Men kon ook een hele dag gaan jagen op Groot Sint Joris. Andere attracties waren verschillende hospitalen (!), instituten van Welgelegen, het Sint Thomas College aan de Roodeweg, de begraafplaats Beth Haim en de ambachtsschool op Santa Rosa.
('Olie als water', Dr. Jaap van Soest, Curašao 1976 pag. 48).

Willem Johannes, de zoon van James Jolley overleed vrij plotseling op 14 maart 1901 op 46-jarige leeftijd . Hij was getrouwd met Maria Wilhelmina de Jongh en zij hadden een dochter Helena Adriana geboren op 28 januari 1884. Bij de aangifte van het overlijden van Willem Jolley was getuige Gustaaf Adolf Schrils (49), gepensionneerd militair, getrouwd met Amelia Carolina Peiliker. Amper twee maanden later overleed Louis Henry Snoek. Het was een echt rampjaar want op 9 januari 1901 was ook al Henriette de Groot, de vrouw van Louis Henry, overleden. Louis Henry werd begraven samen met zijn zoon Michael Levie in kelder 154 op het protestantse kerkhof aan de Roodeweg. In het register van de graven van de VPG stond bij het overlijden van Louis Henry de opmerking besmettelijke ziekten met de naam 'van Alphen'. Het leek erop dat er een epidemie heerste want een maand na de geboorte van Henriette Rosina overleed haar vader John Snoek op 16 juni 1902. Hij had nog in mei het bericht gelezen dat bij de uitbarsting van de vulkaan Mont PelÚe ('Gepelde berg') van het eiland Martinique een verschrikkelijke ramp plaatsgevond. Er vielen zeker 35 duizend doden en de hele hoofdstad St.Pierre werd bedekt door een enorme doodskleed van as. De bevolking werd volkomen verrast door de plotselinge uitbarsting van de vulkaan. De mensen stikten door de giftige zwavelgassen en verbrandden door de enorme hitte van de gloeiende lava die uit de berg naar beneden stroomde naar de zee. John Snoek was erg onder de indruk van het gebeuren. Hij was al een tijd niet gaan varen en zijn gezondheid was sterk achteruit gegaan.

Op die 16de juni 's-middags overleed John (34). De begrafenis was vanuit zijn huis en de families DeVriendt en vrienden van John waren aanwezig. Vier vrijmetselaars hielden volgens de traditie de wacht bij de open kist. Twee van John's beste vrienden, Kai Peiliker en sergeant Willem de Vroede deden bij kranshi aangifte van het overlijden. Vˇˇr de uitvaart werd er 's avonds een wake gehouden. De mannen waren gekleed in zwarte pakken met zwarte das en de vrouwen waren of in het zwart of in het wit en hun hoofd bedekt met witte hoofddoeken. In de tuin en op de stoep zaten de mannen te fluisteren, uit respect voor de dode. Er werd sterke zwarte koffie in kleine kopjes geschonken en de mannen aten gebrande pinda's. Later op de avond kwamen de borrels, meestal rum, tot diep in de nacht. De volgende dag 's middags werd John Snoek op het protestantse kerkhof begraven in kelder nr. 154 die van tevoren was gereserveerd voor zijn broer Louis Henry en diens vrouw Carolina de Groot, maar ook werd de kelder gebruikt voor hun zoon Michael Levie Henry Snoek die overleed op 10 september 1900 en dus nog voor John Snoek. Carolina en Louis Henry overleden twee maanden na elkaar in 1901 en hun resten werden in een andere kelder bijgezet.

Op 12 december 1902 kocht de weduwe HenriŰtte Elisabeth de Vriendt-Snoek een herenhuis aan de Breedestraat no. 318 (nu Roodeweg no. 11) voor het bedrag van ruim vijfduizend gulden. Het huis stond langs een straat die liep naar het Rifwater bij het St. Elisabeth hospitaal. In het begin van de twintigste eeuw noemde men de straat 'Hanchi di kanchi" (Kantensteeg), thans heet het de St. Thomasstraat, genaamd naar de school St. Thomascollege. HenriŰtte kocht het huis van haar groot pleegvader James Jolley die toen een bekend zakenman was. Jolley betaalde de kosten inclusief de hypotheek.

Daar woonden de familie Snoek met de kleine kinderen Adriana Sophia (Fichi), Henry Louis (Dei) en HenriŰtte Rosina (JŔchi). Het huis lag nabij buiten, ten noorden van de Roodeweg, ten oosten van een straat zonder naam leidende naar het Rifwater, ten zuiden van een begraafplaats behorende aan de familie Raven en ten Westen een lange muur. De familie Jolley bezat meer huizen in Otrobanda. Wewe Jolley had b.v. een huis aan de Frederikstraat 123 en daar had hij ook zijn kantoor om zaken te doen met zijn diverse agentschappen. De koopakte van notaris Cornelis Gorsira no. 1505 werd ondertekend door James Jolley, Henriette Elisabeth Snoek- DeVriendt, de getuigen Johannes Petrus Gerardus Ecker (boekhouder) en Wenceslao Simon Philip (Shon Fil) de Jongh (koopman). Zowel Ecker als De Jongh waren lid van de loge Igualdad. Ecker was o.a. lid van de commissie voor de viering van de 25-jarige vrijlating van de slaven en in 1920 had hij een busdienst (Joh.Hartog deel II Curašao pag. 945).

Op 4 januari 1905 werden HenriŰtte Rosina en Henry Louis Snoek allebei in hun ouderlijk huis gedoopt. Zij waren respectievelijk 2.5 jaar en 5 jaar oud. De hervormde predikant Johan Muis kwam over uit Bonaire. Padrino en madrina waren Theophilo Penso en Ana Schrils-Peiliker. Verder Johan Schrils en oma Elizabeth Snoek-Bos die inmiddels 75 jaar oud was. Adriana Sophia was al eerder gedoopt. Zeven jaar later, op 18 augustus 1912 overleed oma Elizabeth Snoek-Bos, de weduwe van Heijman Levie Snoek in de gezegende leeftijd van 82 jaar. Zij werd begraven op het protestantse kerkhof aan de Roodeweg in een familiegraf van de familie Peiliker (nummer R 191). In het register van graven van het protestantse kerkhof in Otrobanda is genoteerd dat de begrafenis van Elizabeth is betaald door de kerk want zij was 'bedeelde' (arm). HenriŰtte Elisabeth (Frou) de weduwe van John Wilhelm Snoek en de kinderen Adriana Sophia, Henry Louis en HenriŰtte Rosina waren thuis bij de begrafenis en er waren veel kennissen die afscheid kwamen nemen. Een zus van Elizabeth Snoek-Bos, Jeannette Petronella Peiliker-Bos was nauwelijks een maand daarvoor overleden. Een jaar eerder was overleden Anna Catharina Bos, tweelingzus van Elizabeth Snoek-Bos en vrouw van Herman Meijer. Zij is begraven in de kelder van de familie Schrils op het protestantse kerkhof op Pietermaai (Oranjestraat), noorddeur. Jeannette (78) werd begraven in de kelder van de familie Peiliker aan de Roodeweg.

Een zenuwachtige bruid

Adriana Sophia Snoek (17) trouwde op 28 december 1912 met Carlos Alfredo Rincˇn Nebott (26), een Venezolaanse zakenman uit Maracaibo. Hij was geboren op 19 februari 1886, ouders wijlen Alberto Rincˇn en Otilia Nebott. Bij de ondertrouw was de jonge bruid zo zenuwachtig dat zij er ziek werd en niet naar de Burgerlijke Stand (kranshi) kon gaan. Moeder HenriŰtte verklaarde in het Raadshuis officieel toestemming te geven voor het huwelijk (John was inmiddels gestorven). Het huwelijk werd bevestigd in tegenwoordigheid van de toen 80-jarige James Jolley, gepensioneerd 'hospitaalmeester'. Getuigen bij het huwelijk waren de boekhouder Willem Adrianus Romein (27), de schilder Anthony Eustaquio Vinck (32) en de apotheker Sabino Silvestre de Lannoy (36). Het huwelijk vond plaats thuis aan de Roodeweg 11.

James Jolley (86) overleed op 22 mei 1919 om kwart over twee. De overlijdensakte werd getekend door de aanspreker Andries Frederik Wansing (35). Andries kwam als zeeman op het eiland en hij had een jongere broer, Willem Frederik Wansing. Bij het overlijden van Wilhelmina de Jongh (62) op 12 juni 1916 waren de getuigen Andries en Willem. Ze waren dus kennelijk goede vrienden van de familie Jolley. De vrouw van James Jolley, Adriana Rosina (86), overleed op 2 augustus 1922 op Curašao.

Het jonge echtpaar Carlos Rincˇn en Sophia Snoek bleef kinderloos. Al de tijd woonden ze in bij de familie Snoek op Morgenster. Carlos was koopman en had een cafÚ en drankzaak in de buurt, daarna werd hij kantoorklerk. Fichi hielp Carlos met zijn werk en zorgde voor het koken. Haar jongere en enige zus HenriŰtte 'JŔchi' Rosina maakte haar mulo af en was handig in de administratie en kreeg een kantoorbaantje bij Boekhandel Mensing in Punda. Henry Louis werd geen zeeman. Als kind woonde hij in de Otrobanda bij zijn moeder en hij heeft zijn vader John Snoek niet gekend want hij was pas twee jaar oud toen John overleed. Hij speelde graag in de smalle stegen in Otrobanda bij zijn vriendjes en hij deed boodschappen bij de winkels in de Breedestraat. Elke morgen haalde hij vers brood bij de bakkerij 'Aurora' van Mau de Jongh. Maurens de Jongh leerde zijn vak als broodbakker totdat hij zijn eigen bakkerij begon. Vroeg in de ochtend was hij druk bezig met het bakken van allerlei soorten brood, gebak, enz. Voor de bakkerij stond de 'kitoki' van Mau de Jongh en 's middags ging hij rijden met zijn paard. Hij was gekleed in een witte broek met zwart jasje en vest, waaraan een gouden horlogeketting. De vader van Maurens, Franšois de Jongh, kwam uit Bonaire en de familie ging later naar Curašao. Henry haalde het beleg in de 'tienda' van Shon IJzick (Isaac) met heerlijke gekookte ham en voordat hij naar ging huis kocht Henry wat snoepgoed voor een paar centen: kokada, kaki˝a, peperment, enz. voor zijn zusjes Fichi en JŔchi.

In het weekend slenterde Henry door de steegjes in Otrobanda en liep hij naar het Molenplein. Daarnaast was een groot terrein, de Kurß di Wewe Lieder, ook genaamd Amsterdam. In die jaren exploiteerde Jan Hueck samen met zijn broer Louis daar een openluchtbioscoop waar men op de muziek van een kaha di orgel kon genieten van een film als 'Odette' of over de Romeinen. De bioscoop heeft echter maar kort bestaan en later werd het erf vol gebouwd met grote stenen en kleinere houten huizen. Als Henry naar het voetbal ging kijken, liep hij door de Rifwaterstraat naar het zwaaiend hangbrugje K˛rta Orea ('ontrouw') of naar het brugje K˛ntrami ('kom mij tegen') daarnaast, naar het stadion in het Rif. Hijzelf had gevoetbald bij club Sparta maar niet lang want hij vond het maar een ruwe sport en hij ging liever muziek maken of luisteren naar de concerten op zondag in het muziekkiosk tegenover de school St. Martinus Gesticht op het Brionplein.

Henry was handig en kreeg allerlei baantjes, maar toen begon de economische malaise op Curašao. Door de problemen met Venezuela na de omverwerping van het regime Antonio Guzman Blanco is het eiland een van haar belangrijkste economische pijlers kwijtgeraakt. Er kwamen minder Venezolanen en de handel en de scheepvaart kwijnden, zodat vele jonge mannen werkeloos werden. In de eerste twee decennia van de negentiende eeuw trokken duizenden mannen naar Cuba, de Dominicaanse Republiek, Panama en Venezuela. In 1919 verbleef maar liefst vijftig procent van de lokale arbeidskrachten in het buitenland. Veel jongemannen uit Curašao gingen een nieuw bestaan te zoeken in Cuba. Het leven op Cuba was zwaar, lange uren in de hete zon bij het kappen van suikerriet en lage lonen.

Henry had geluk want in 1918 op 18-jarige leeftijd kreeg hij werk bij de pas opgerichte raffinaderij van de Curašaosche Petroleum Industrie Maatschappij (C.P.I.M.). Hij begon bij de Electrische Centrale. Op 15 januari 1920 werd hij overgeplaatst naar de Blikkenfabriek en hij klom op tot manager van de blikkenfabriek, die speciaal werd opgericht door de Shell voor de export van olie. Gasoline, gasoil, etc. werden in grote blikken via 'lichters' verscheept naar Bonaire, de Bovenwinden en ook naar het Caribische Gebied. Dei werd op 1 januari 1936 bevorderd tot 'lokaal employe' en op 15 januari 1945 vierde Dei zijn zilveren jubileum in de fabriek in aanwezigheid van de voltallige direktie en het personeel.

Shon JŔchi

JŔchi Snoek maakte kennis met Willem Hendrikse. Hij kwam als stuurman op een schip uit Nederland. In zijn geboorteplaats Vlissingen had hij zijn opleiding gevolgd aan de Zeevaartschool en voer op de grote vaart naar allerlei landen, maar ook als loods op de Schelde. Als stuurman voer hij met de Curašaosche Stoomvaart Maatschappij' , de C.S.M. met tankers vanuit Curašao naar Venezuela en terug. Willem Hendrikse en JŔchi Snoek trouwden op 22 januari 1927 aan huis in de Langestraat, de woning van haar moeder, de weduwe HenriŰtte Elisabeth Snoek. Het huwelijk werd ingezegend door dominee W.H. Eldermans. Getuigen waren Henry Edward Charles de Jongh (sportzaak), Willem Frederik George Mensing (boekhandel), Carlos Lorenzo Juliao, ( hij had later een apotheek op Aruba) en de broer van JŔchi, Henry Louis Snoek 'Dei' (employee CPIM). In datzelfde jaar, op 14 mei 1927 kreeg Curašao voor het eerst een rechtstreeks radioverslag via de kortegolf. Philips Gloeilampenfabriek in Eindhoven had de minister van KoloniŰn, dr. Koningsbergen, koningin Wilhelmina en prinses Juliana uitgenodigd om via de radio een toespraak te houden gericht op Curašao en Suriname. De prinses bedankte de bevolking voor de felicitaties in verband met haar verjaardag op 30 april toen zij 18 jaar werd.

Het echtpaar Hendrikse kreeg zes kinderen: Rudolf, Willem, Gerda, Norbert, Elizabeth en Marie CÚline. Rudolf overleed als baby van 4 dagen oud op 2 februari 1930. Willem Hendrikse en JŔchi Snoek woonden toen ze pas waren getrouwd in het huis aan de Langestraat met moeder/schoonmoeder 'Frou' HenriŰtte Elisabeth, waar ook Sophia (Fichi) en Henry Louis (Dei) woonden. Na de geboorte van Willem jr. liet Willem Snoek, die inmiddels als loods gestationeerd was aan de Caracasbaai een huis bouwen aan de Witteweg 81, op de 'berg' van Otrobanda. Het huis was groot genoeg en de hele familie verhuisde mee.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog besloot Willem te gaan werken als belastingambtenaar en werd hij 'deurwaarder' voor de Inkomstenbelasting. Hij vond het jammer om niet meer te kunnen varen, maar zijn vrouw vond het te gevaarlijk in die tijd. Door de duikbotenoorlog van de nazi-Duitsers zijn diverse schepen in het Caribische gebied gezonken en veel CurašaoŰnaars en Bonaireanen kwamen om door het vergaan van diverse tankers en andere schepen. Dicht bij het Rif in Otrobanda zonk b.v. een grote Noorse tanker die was geraakt bij een torpedoaanval door de Duitsers.

Gerda Hendrikse, de eerste dochter van Willem en van Jechi Snoek, is geboren op 29 december 1932. Twee dagen later, op oudejaarsavond 31 december 1932 kwam Carlos Rincˇn, thuis na de drukte met zijn klanten. Hij ging wat uitrusten in zijn 'hamaka'. ''Maak mij wakker als het bijna Nieuwjaar is'', zei hij tegen zijn vrouw Fichi en viel meteen in slaap. Iets voor twaalven ging Fichi hem wekken. Ze schudde flink aan hem om hem wakker te maken, maar hij werd niet meer wakker....

Willem had het te druk met het regelen van allerlei zaken vlak na de geboorte van Gerda en hij kon daardoor niet naar 'kranchi' te gaan om aangifte te doen van het overlijden van Carlos. Inplaats daarvan waren de getuigen Clothilda Janboos (wasvrouw) en Gerardus Wanga (politieman). In de akte stond dat Carlos kantoorklerk was. Na de dood van Fichi's man Carlos Rincˇn, verliet de familie Snoek het huis op Morgenster en gingen zij wonen in de Langestraat, een tweeverdiepingshuis in Otrobanda, vlak naast de Trapsteeg en op een paar honderd meter van de Breedestraat. Sophia (Fichi) bleef meestal thuis. Ze hield van koken en elke morgen vroeg wandelde ze naar de markt om verse groenten, vlees of vis te kopen. Onderweg maakte ze een praatje met haar kennissen in Otrobanda en weer thuis in de Langestraat was ze uren bezig in de keuken met het bereiden van het eten, want het moest allemaal heel precies: op een laag pitje, met een snufje zout, een beetje peper, fijngesneden groenten en op de juiste temperatuur gebakken vis of vlees. Sophia 'Fichi' maakte van het koken een echte kunst. Toen Fichi ernstig ziek werd en met veel pijn werd opgenomen in het hospitaal, werd zij geopereerd en de chirurg zei dat hij niets meer voor haar kon doen en werd zij dichtgenaaid. Fichi heeft daarna dertig jaar geleefd zonder gezondheids-problemen.

Op een warme dag, 22 augustus 1953 kreeg Sophia Snoek een hersenbloeding. Ze was 's morgens vroeg opgestaan en was gewoontegetrouw naar de markt gegaan om daarna te gaan koken. Ze klaagde echter over hevige hoofdpijn. Na een aspirientje viel ze in slaap in haar slaapkamer. De dokter kwam en zag meteen dat het hopeloos was. In de late middag deed ze haar ogen ineens open, grote felblauwe ogen alsof zij de hele wereld voor zich zag. Sophia is begraven op de katholieke begraafplaats aan de Roodeweg. Ze was katholiek geworden toen zij trouwde met Carlos Alfredo Rincˇn Nebott die een stuk ouder was dan zij.

Oom Dei

Henry 'Dei' Louis ging in september 1954 met pensioen en al die tijd had hij hard gewerkt bij de C.P.I.M. bij de Blikkenfabriek. Henry Snoek was een echte levensgenieter en hij genoot van muziek. Als jongeman speelde hij kwarta, mandoline en drums. In een trio samen met pianist Albert Palm en met Wewe Hellburg om in het weekend te spelen in 'Recreation Park' op Mundo Nobo. Albert Palm heeft zelfs een wals voor hem gecomponeerd. De wals heet '27 de Octubre', de verjaardag van Henry Louis Snoek. Als vrijgezel ging hij ook op stap met zijn beste vriend, de Dominicaan ChichÝ Henry Louis Snoek in zijn jonge jaren Curiel. Soms namen zij hun kuatra of gitaar mee om muziek te maken. ChichÝ had een prachtige stem en zong af en toe zijn romantische 'bolero's' bij het radiostation Curom. Op feestdagen gingen zij naar 'Casa Dominicana' aan de Scharlooweg, met name op moederdag. Consul Don Julio Espinal hield een toespraak over zijn geliefde 'Quisqueya' en daarna zong ChichÝ romantische bolero's. Tenslotte declameerde Rafael Pichardo gedichten en de s˛pi mondongo smaakte daarbij uitstekend. Behalve muzikant was Dei ook een uitstekende danser. Hij vertelde dat hij in de jaren twintig kampion was bij het dansen van de Charleston.

Henry hield niet van de drukte, hij maakte veel grapjes met de kinderen thuis en hield van zijn radio. Via een kortegolf Amerikaans radiostation luisterde hij naar de bokswedstrijden, de jaren van de legendarische Joe Louis. Henry en ChichÝ Curiel hadden nog een goede vriend in Otrobanda: Ito Mauricio. Hij was eigenaar van een autohandel in de Breedestraat (O) en importeur van het Amerikaanse bier Pabst. In 1947 componeerde hij een nieuw 'volkslied' voor Curašao. Het bezingt de 'parel' van de Antillen, het schilderachtige landschap, zijn bergen en dalen, zijn 'hofjes' met vruchten, bloemen en de zangvogels. Dit land van eeuwige zon is droog, maar af en toe valt er regen en dan bloeit alles op. Vreemdelingen van overal komen hier en gaan niet meer weg; zijn handel en nijverheid. "O Curašao, wanneer zult gij U ons herinneren, die altijd als trouwe zoon U hebben lief gehad? God zegene ons vaderland en geve blijvende voorspoed." Ito was zakenman maar ook dichter. De zaak van Ito Mauricio werd overgenomen door zijn zoon Johny die later voorzitter werd van de Kamer van Koophandel.

Henry ging met pensioen en kreeg de ziekte van Parkinson. Hij kon zijn handen nauwelijks meer gebruiken en ging wonen in een 'bejaardenflat' op Zeelandia. Elke zondag bezocht de familie hem daar. Op een van zijn laatste dagen haalde hij zijn kuarta voor de dag en de nieuwe snaren uit zijn jas in de kast die hij nog altijd had bewaard. Op 9 februari 1973 overleed Henry in zijn slaap tijdens zijn middagdutje en een dag later werd hij begraven op het Protestantse kerkhof aan de Roodeweg.

'Shon JŔchi', HenriŰtte Rosina Snoek is 87 jaar oud geworden. Zij is in 1990 overleden. Jechie Snoek is begraven op 8 februari 1990 op het Protestantse kerkhof aan de Roodeweg. Haar man, Willem Hendrikse is op 23 februari 1969 gestorven en werd ook begraven op het Protestantse kerkhof aan de Roodeweg in Otrobanda in hetzelfde graf als zijn moeder HenriŰtte Elisabeth DeVriendt en zijn broer Henry Louis Snoek.

Noot:
Met de dood van 'Shon JŔchi', was er geen 'Snoek' meer op het eiland. Familie in Amsterdam is er waarschijnlijk niet meer door de oorlogsjaren en de moord door de nazi's die de joden hebben weggevoerd naar de concentratiekampen. 123 joden met de naam Snoek voornamelijk uit Amsterdam werden vermoord; zie In Memorial (Lezecher) database.

John Jozef Snoek, zoon van Louis Henry Snoek, vertrok naar New York en had in ieder geval een zoon: John jr. Snoek, geboren op 14 augustus 1932 en overleden in 1969 in New York. Het is niet bekend of John jr. nabestaanden heeft in Amerika.

(Zie ook Parenteel Snoek.)