Familieverhaal Hendrikse

Willem de Zeeman, stuurman uit Vlissingen

Willem 'Wim' Hendrikse werd geboren in Vlissingen op 14 november 1898. Zijn vader, Leendert Hendrikse kwam uit het Zeeuwse stadje Westkapelle. Hij vertrok naar Vlissingen en zoals de meeste jongens uit Zeeland wilde hij eigenlijk gaan varen. Leendert huwde Elisabeth Baart op 20 januari 1883. Zij aanschouwde op 12 februari 1864 het levenslicht in Vlissingen. Haar ouders Cornelis Baart (geboren op 5 december 1827 in Koudekerke) en Pieternella Willemina Bienefelt (geboren op 22 januari 1835 in Oosterland) verhuisden naar Vlissingen. Vader Cornelis werkte op een sleepboot aan de Schelde. Elisabeth had drie zussen, Leintje, Antonetta Pieternella en Jansje en een broer, Johannes Pieter Cornelis. Leijntje was de jongste, geboren in 1862 in Vlissingen. Zij trouwde in 1893 met de varensgezel Izaak le Mahieu. Jansje trouwde echter met een militair. Antonetta trouwde in 1892 met de zeeman Anthon Ardewijn. Zij hadden een zoon, Anthon junior die later ook ging varen. Johannes Pieter Cornelis Baart werd eveneens zeeman.

Leendert Hendrikse en Elisabeth Baart met dochter Pieternella en zoon Huibregt Leendert had een café annex drankwinkel/slijterij in de Wagenstraat 5 en aangezien er in de Vlissingse haven altijd schepen lagen met veel matrozen en vissers, draaide de zaak goed. Zijn vader, Huibregt Hendrikse werd geboren in Westkapelle op zondag 15 oktober 1826 en trouwde in 1853 met Helena Roelse. Hij vertrok naar Veere en kreeg later een baan als brugwachter in Vlissingen, waar hij in 1903 is overleden.

Leendert en Elisabeth kregen acht kinderen: 5 zonen en 3 dochters. De oudste Pieternella Wilhelmina (21 juni 1883), Huibregt (3 februari 1886), Helena (2 juni 1889), Cornelis (29 april 1893), Jan (21 november 1894), Johannes Willem (15 augustus 1897), Wim (14 november 1898) en Elisabeth (15 juni 1901). Leendert overleed oud 52 jaar op 23 juli 1911. Zijn weduwe, moeder Elisabeth had de handen vol met het grootbrengen van hun kinderen. Zij bestierde het ‘koffiehuis’ toen in haar eentje en woonde van 1922 tot 1926 met de kinderen aan de Coosje Busketstraat 32, in 1930 aan de Glacisstraat 97, in 1934 aan de Hobeinstraat 97 en in 1938 tot 1940 aan de Sottegemstraat 64. De oudste dochter, tante Pie, zorgde voor de huishouding. Tante Lena naaide kleren voor het gezin. Tante Bep was de lieveling van haar ouders en hoefde niet te werken en is bij haar moeder blijven wonen tot haar dood. Toen zij trouwde was zij 30 jaar oud. Alle vijf jongens gingen naar de zeevaartschool en zij werden stuurlieden, kapitein of loods.

Alle voorouders van Leedert zijn in Westkapelle geboren. De overgrootmoeder van Leendert, Neeltje Huibregt Hendrikse werd geboren op 5 januari 1773 in Westkapelle. Zij was ongehuwd en beviel van een zoon op zondag 11 oktober 1801, Jan Bezo Hendrikse. De vader was een Franse militair. De ‘oudste’ Hendrikse uit Westkapelle was Cornelis Heyndriks, geboren rond 1660 en overleden op 20 juni 1700. Hij was getrouwd met Matje Cornelis, geboren op 25 oktober 1662 en overleden op 20 mei 1720. Hun oudste zoon, Heyndrick Cornelisse Hendrikse, is geboren rond 1680 en overleed op maandag 29 september 1738 in Westkapelle.
Toen Jan Bezo werd geboren waren de Fransen over de grens Zeeland binnen gevallen in verband met de revolutie tussen Noord- en Zuid Nederland (België). In Westkapelle bleef het rumoerig. Op 10 februari 1793 kregen de meeste bewoners inkwartiering van soldaten. Op 6 februari 1795 kwamen de eerste vijandige soldaten in Walcheren. In mei 1799 waren er 2500 Franse soldaten in Westkapelle. In de laatste jaren van bezetting, van 1810 tot 1814 waren de meeste inwoners zeer verbolgen op de ‘vreemde overheersers’. Er werden in die jaren nogal eens Franse soldaten ‘vermist’, die nooit meer gezien werden. Later is wel uitgekomen waar deze gebleven zijn, toen men bij graafwerkzaamheden geraamten van soldaten vond.

Jan Bezo Hendrikse was sinds 1813 dijkwerker en lid van de Elfde bende. Volgens de Tegenwoordige Staat van Zeeland, een uitgave uit 1751-1753, was de Westkapelse Zeedijk 'een der beroemdsten, die in de weereld bekend zyn'. Door zijn voorpostfunctie werd eeuwig en altijd onderhoud aan de dijk gepleegd. Ook werden allerlei aanpassingen aangebracht. De dijkwerkers van Westkapelle voeren er wél bij. Hun leven was geheel verbonden met het wel en wee van 'hun' zeedijk. Vanaf de 16e tot ver in de 20e eeuw vormden deze mannen een gesloten gemeenschap met eigen regels. Men werkte in 'benden'. Ze hadden elk een gelijk aantal minder actieve bejaarden in hun midden. Ze kozen hun eigen leiders en onderhielden een gezamenlijke ondersteuningskas. Indeling bij een bende gebeurde op grond van familiebanden. Stormen en stormvloeden (onder andere in de jaren 1802, 1834 en 1883) betekenden werk en dus een bescheiden welvaart voor de dijkwerkers. Voor de rest heerste er vooral armoede. Met strandjutten wist men zo nu en dan wat extra te verdienen. Menig 'Westkappelaar' laat zich nóg het plezier van het jutten niet ontnemen.

De schipbrug in Vlissingen waar Huibregt Hendrikse werkte Willem werd Wim genoemd en was het op één na jongste kind. Hij was pas twaalf jaar oud toen zijn vader overleed. Wim deed het goed op school. Op zijn zeventiende behaalde Wim zijn H.B.S.-diploma op 16 juli 1915. Uiteraard wilde hij evenals ook zijn oudere broers gaan varen. Zijn moeder Elisabeth verzette zich daar eerst tegen; ze vond de zee gevaarlijk. Veel mannen verdronken bij het vissen, kwamen om tijdens stormen in de Noordzee en door de oorlog in Europa. Na veel wikken en wegen kreeg Wim in verband met zijn jonge leeftijd van slechts 22 jaar officieel 'permissie' van de Vlissingse burgemeester om te gaan aanmonsteren. Als matroos leerde hij het vak tijdens korte reisjes naar België, Frankrijk en ook verder naar het noorden naar de Duitse havens. Hij ging met de 'Mercurius' naar België, een schip van de Nederlandse Stoomvaart Maatschappij 'Bestevaer' en hij deed goed zijn best aan boord.

Eerste Wereldoorlog
Op 1 september 1917 moest Wim vanwege de Eerste Wereldoorlog in militare dienst. Na de eerste oefening werd hij op 8 december korporaal in het 14de Regiment Infanterie, eerste bataljon bij Waalsdorp. Bij zijn keuring gaf hij zich ook op als 'Klerk telegrafist'. Hij woonde toen bij zijn moeder aan de Busketstraat. Het werd een spannende tijd. In 1914 was de oorlog begonnen tussen de Duitsers en de geallieerden in België en Frankrijk en de Britten. Nederland had zich 'neutraal' opgesteld ten opzichte van Duitsland. Wim moest zich beperken tot het wachtlopen langs de Belgische grens.

Tijdens die oorlog torpedeerden de Duitsers een schip waarop Jan, een oudere broer van Wim voer, welk schip zonk en waarbij Jan verdronk. Jan was eerste stuurman en verdronk in 1915 in de Eerste Wereldoorlog toen een Duitse onderzeeboot zijn schip had getroffen in de Chinese zee (Nan Hai bij Hongkong). In de hal van de zeevaartschool in Vlissingen is een gedenkteken geplaatst (oorlog 1914-1918). Jan Hendrikse heeft in de 'Oost' gevaren. De verhalen gaan dat hij o.a. mooie zijde meebracht waarvan zus Lena goed met naald en draad prachtige kleding voor de familie maakte. In 1917 ging Amerika zich bemoeien met de oorlog. Onder leiding van generaal Pershing landden grote aantallen Amerikaanse troepen met tanks, wapens en munitie in de Franse havens.

Wim werd bevorderd tot sergeant in het tweede bataljon in Vlissingen met een salaris van 350 gulden. Hij zag vele Belgische vluchtelingen in paniek de grens met Nederland over komen. Er werd zwaar gevochten in West-Vlaanderen, met name bij de Yzer en van beide kanten sneuvelden er duizenden soldaten. De Duitsers hadden mosterdgas gebruikt in de loopgraven, waardoor honderden soldaten blind waren geworden. In de verte bij de grens kon hij het gebulder van de kanonnen en het fluiten van de granaten horen.

Wim las in de krant dat de Nederlandse danseres, Margaretha Zelle ‘Mata Hari’ gearresteerd was door de Fransen en was geëxecuteerd wegens spionage voor de Duitsers. Op diezelfde dag, 25 oktober veroverden de Bosjevieken Petrograd. De tsaar en zijn familie werden gevangen gezet en vermoord. In september 1918 begonnen de geallieerden een groot offensief. In november gaven de Duitsers zich over en was de oorlog voorbij. Er werd feest gevierd in Frankrijk, België en in Engeland en er werd gedanst in de straten, ook bij de grens met België. Wim mocht naar huis in Vlissingen nadat hij was afgezwaaid.

Stuurman
Willem had tijdens de oorlog flink gespaard van zijn geld en met de hulp van zijn oudere broers ging hij studeren aan de 'Michiel De Ruiter' Hoge Zeevaartschool in Vlissingen. Huibrecht, zijn twaalf jaar oudere broer, die stuurman was bij de koopvaardij stimuleerde Willem tijdens het varen om te gaan studeren. Willem behaalde zijn diploma met mooie cijfers en om meer ervaring op te doen, meldde Visvrouwen in Vlissingen rond het begin van de twintigste eeuw hij zich bij de ‘S.S. Mizat’, een Engels schip dat naar Newcastle en naar Hull voer. Daarna kwam de echte ‘Grote Vaart’. Hij monsterde aan in Hamburg op de ‘Athene’, die via Rotterdam naar Baltimore in Amerika ging. Een reis die twee maanden duurde. Weer terug was moeder Elisabeth dolblij hem weer bij zich te hebben, maar kort daarop deed hij weer hetzelfde traject met de 'Athene'. Sindsdien ging hij steeds verder de wijde wereld in, om nieuwe landen te leren kennen en andere mensen te ontmoeten. Op het Britse schip 'Anglier' monsterde hij aan in Londen en vertrok naar India via diverse havens in het Midden-Oosten. Aan boord was het hard werken, maar in de havens konden hij en zijn makkers gaan stappen en hadden ze veel plezier. De vreemde taal om te handelen met de Arabieren was ook zo’n belevenis.

Op een van deze reizen kochten hij en z’n makkers prachtige tapijten, niet met contant geld maar door ruilhandel. Ze hadden met de Arabieren afgesproken de tapijten vlak voor vertrek aan boord te brengen. In ruil zouden die dan grote blikken met Nederlandse boter krijgen. De Arabieren lachten in hun vuistje, want uiteraard was het voor hun een erg voordelige ruil. De trossen waren los, het schip voer weg en konden Wim en zijn vrienden de Arabieren nog zien schelden en krijsen en zwaaien met hun vuisten naar de mannen aan boord. De zeelui kwamen niet bij van het lachen. Ze hadden de grote blikken onderin voor een groot deel met zand gevuld en daarbovenop slechts een dunne laag boter. Na de reis van drie maanden was Wim voor een paar weken weer thuis in Vlissingen. Hij vertelde aan zijn moeder en broers over zijn avonturen. Maar het duurde niet lang voor hij weer vanuit Londen vertrok naar Zuid-Amerika, Buenos Aires in Argentina en ook weer drie maanden onderweg was. Hij genoot van de prachtige steden en de vriendelijke mensen. Hij had een paar woorden Spaans geleerd, waardoor hij met de mooie meisjes in de café's kon kletsen tijdens het 'biertje drinken'. Hij vond het prachtig en weer terug in Vlissingen besloot hij meteen om nogmaals naar Buenos Aires te gaan.

Curaçao
Op zijn terugreis van Buenos Aires naar Nederland ging het deze keer via Curaçao om vracht te lossen. Hij maakte voor het eerst kennis met het eiland en was meteen verknocht. Hij werd verliefd op de prachtige haven, de mooie huizen aan beide kanten van de Annabaai en de vriendelijke mensen die er woonden. Hij hoorde dat er flink werd gebouwd aan de olie-raffinaderij en zag in een advertentie in de krant dat er personeel gevraagd werd voor de Curaçaose Petroleum Industrie Maatschappij (C.P.I.M.) en voor de Curaçaose Stoomvaart Maatschappij (C.S.M.). Met zijn diploma's en met zijn ervaring solliciteerde hij naar een baan op een tanker. Na het sollicitatiegesprek ging de direkteur akkoord met een contract als 'derde stuurman', om te gaan varen van Curaçao vice-versa naar Maracaibo om ruwe olie te halen en te lossen. Eerst ging hij nog weer terug naar Nederland en behaalde op 13 december 1923 zijn diploma voor de 'Groote Stoomvaart' als derde stuurman. Weer terug op Curaçao kreeg hij van de Venezolaanse autoriteiten een officiële brief uit Caracas om als stuurman te mogen varen naar Venezuela. Voordat hij dat deed, ging hij weer naar Vlissingen terug om een jaar lang als loods op de Schelde en aan de haven ervaring op te doen: "Hendrikse was van 20 december 1923 tot en met 15 april 1924 onafgebroken bij het Nederlandse Loodswezen in dienst en heeft zich gedurende die tijd uitstekend gedragen en tot tevredenheid", aldus de Commissaris van het Loodswezen.

Noordstraat in Westkapelle Wim kreeg op Curaçao als stuurman zijn eerste tanker, de 'Martina' (gezagvoerder) daarna volgden de 'Doewa', ‘Presidente Gomez’, 'Juanita', 'Julieta', 'Luetta', 'Zeelandia' en de 'Carlota' . In 1925 werd de vloot van de CSM uitgebreid met 19 schepen met een totaal van 35.750 ton draagvermogen. De grootte van de tankschepen (ook 'Lake-tankers genoemd) bleef noodzakelijk beperkt in verband met de 'drempel' van het Meer van Maracaibo. In 1930 bedroeg de maximaal toegestane diepgang nog slechts 3,80 meter. Pas later door baggerwerk kwam deze in 1940 op circa 4,20 meter te liggen. Uiteindelijk heeft het diep uitbaggeren van de vaargeul vóór het Meer van Maracaibo ertoe geleid dat er steeds grotere schepen konden in- en uitvaren.

Toen het contract met deze tankers afgelopen was, ging hij tijdelijk in dienst als kapitein op de sleepboot 'Minerva' op Aruba. Dat was in de beginjaren dertig, voor het baggeren in de Paardenbaai en hij kreeg een mooie referentie-brief van de firma 'Albetam' bagger- en bouw­maatschappij N.V: "De heer Hendrikse is een betrouwbaar kapitein en heeft de hem opgedragen werkzaamheden tot onze tevredenheid uitgevoerd". Terug op Curaçao ging hij weer varen bij de C.S.M. vanaf 1924 tot en met 1 september 1930. Hij voer naar Venezuela, naar Punto Cardón bij de Golf van Venezuela als tweede stuurman met de 'Martina', werd ook eerste stuurman op de 'Martina' en tenslotte kapitein op de 'Satoe' en de 'Pyrula'. In 1929 had de C.S.M. een vloot van 33 tankers. De twee grootsten, elk van 1200 ton, waren de 'Presidente Bolivar' en de 'Presidente Gómez'.

Intussen maakte Wim kennis met Henriëtte Rosina Snoek. Zij was toen 24 jaar oud en werkte bij Boekhandel 'Mensing' op de administratie-afdeling. Henriëtte woonde samen met haar moeder Henriëtte Elisabeth Snoek-DeVriendt, weduwe van John Snoek, in het grote landhuis 'Morgenster' niet ver van het Schottegat. Daar woonden ook haar oudere zus Adriana Sophia, die getrouwd was met Carlos Rincón en haar broer Henry Snoek. Carlos was een Venezolaanse zakenman. Henry Snoek had in de 'slechte' jaren van Curaçao op Cuba gewerkt. Hij kwam terug en ging werken bij de C.P.I.M.

Wim en Henriëtte trouwden op 22 januari 1927 en gingen daarna wonen in Negropont bij de 'Isla', niet ver van waar de C.S.M.-schepen afmeerden. Wim woonde daar als vrijgezel in een officiersverblijf. Negropont was toen echt een 'eiland' aan het water. Er stonden 1200 houten huizen die daarna vervangen werden door stenen huizen. Met hun etage-bouw en kleine vensters deed het eerder aan Nederland denken dan aan de tropen. Reeds in 1920 werd een clubhuis gebouwd voor de C.S.M.-officieren en er waren plannen om een sport- en atletiekclub op te richten die zou heten 'Club des Etrangers' en toegankelijk zou zijn voor alle Shell-employes en vlootofficieren. Al deze plannen werden vlot goedgekeurd door de Maatschappij, daar men wel inzag dat een behoorlijke ontspanning moest worden geboden als compensatie voor de enigszins primitieve omstandigheden waaronder vooral de C.S.M.-officieren dienst moesten doen.

Willem Hendrikse is gaan varen bij de C.S.M. vanaf 1924 tot en met 1 september 1930. Hij voer naar Venezuela, naar San Lorenzo bij de Golf van Venezuela als tweede stuurman met de 'Martina', werd eerste stuurman ook op de 'Martina' en tenslotte kapitein op de 'Satoe' en de 'Pyrula'. De 'Satoe' was een kleine tanker die op Curaçao 1920 in gebruik werd genomen. (Noot: toe' is een Maleise naam en betekent nummer één)

bunkertanker Satoe Het was een z.g. 'monitor' een Brits kannoneerboot die de geallieerden gingen vervoeren in de Eerste Wereldoorlog. In Nederland werden de 'monitors' genoemd als 'strijkijzers'. Voor de opvarenden was het zeker niet ideaal en het was zo heet in het ruim dat de stokers (meestal Chinezen) flauw vielen van de hitte. De monitors waren bemand met een kapitein, zes officeren (vier werktuigkundigen, een eerste en een tweede stuurman) en veertien scheepsgezellen. De officieren waren voor het meerendeel Engelsen, terwijl de matrozen op een enkele Chinees na, meestal lokale krachten waren. Onder 'lokale krachten' moet men verstaan personen van de zes Antilliaanse eilanden, van de Brits-Westindische eilanden (Trinidad en Barbados) en uit Venezuela. In 1929 had de C.S.M. een vloot van 33 tankers. De twee grootsten, elk van 1200 ton, waren de 'Presidente Bolivar' en de 'Presidente Gómez'.

Na de geboorte van zijn eerste zoon, Willem jr. op 13 januari 1928 verhuisde Willem met zijn familie naar de Caracasbaai. Het was een stenen bungalow vlakbij het water op een terrein van de C.S.M. en aan het water lagen twee bunkerschepen de 'Satoe' en de 'Pyrula'. Wim ging voorlopig de grote zee niet meer op. Hij kreeg een baan aan de wal als gezagvoerder en om te coördineren met het personeel bij het afmeren van de tankers. In datzelfde jaar 1928 kreeg Wim een mooi gouden zakhorloge van zijn moeder met de inscriptie: "Van mijn moeder, 14 november 1928". Wim was er trots op en hij droeg het horloge aan een gouden ketting in zijn zak en hij bewaarde het in zijn klok aan de muur. In de klok bewaarde hij ook zijn favoriete pijpen.

Urbina
Op zaterdag 8 juni 1929 vond een angstig incident plaats. Op die avond reden twee vrachtwagens met ongeveer 45 Venezolanen onder leiding van Rafael Simon Urbina door Punda en gingen op volle vaart door de openstaande poort van Fort Amsterdam. Fuselier Nelstein had de wacht bij de poort en riep: i>Poko poko om de wagens te stoppen. De Venezolanen sprongen uit de wagen, gewapend met machete’s en met twee automatische pistolen om de wacht te overvallen. Twee Surinaamse politiemannen, Nelstein en Narain, werden gewond. Sergeant J. Marcusse werd dodelijk gewond door een klap van een Venezolaan. De overvallers drongen de slaapzaal binnen en de daar slapende militairen werden gedwongen zich over te geven. Gouverneur ir. Leonard Fruytier bevond zich op dat moment in het gouvernementshuis.

De Venezolanen namen de wapens in het fort in beslag en Urbina gaf opdracht om die met de gouverneur als gijzelaar in een schip naar Venezuela te brengen. Het was de bedoeling dat Urbina de wapens wilden verkopen aan rebellen in Venezuela tegen de dictatoriale president Juan Vicente Gomez. Fruytier wilde liever met een Nederlands schip vertrekken maar Urbina eiste een Venezolaans schip. De agent van de Red ‘D’ Line stelde Urbina en zijn makkers voor met de gouverneur te vertrekken met het schip ‘Maracaibo’. Na lang onderhandelen, waarbij Urbina dreigde de Shell-raffinaderij in brand te steken werd men het eens over het schip Maracaibo.

Direkteur G.E. van der Stok van de Shell en van de C.S.M. had inmiddels de Nederlanders geëvacueerd naar Negropont, vlak bij het huis van Wim en de familie Hendrikse. Bij de poort van Negropont stond een klein leger Shell-bewakers en militaire politiemannen om de Nederlanders te beschermen. Uiteindelijk vetrokken de Venezolanen met gouverneur Fruytier, met Borrens en een loods naar het schip de Maracaibo. De buit van Urbina bestond uit 197 geweren, 4 mitrailleurs, 38 pistolen, 75 klewangs, 7000 patronen en ook uit 3500 gulden uit de kas van de vreemdelingendienst. Het was een angstig moment op die zaterdagavond en gelukkig was Wim thuis want hij zou na het weekend weer vertrekken als stuurman naar Maracaibo. Urbina en zijn mannen gingen met de wapens in hun sloepen van de Maracaibo naar het Venezolaanse vasteland. De gouverneur kon weer terug naar het Fort Amsterdam. Fruytier nam zijn ontslag in verband met de gebeurtenissen. Het Nederlandse weekblad ‘De Groene’ wijdde een spotprent gemaakt door Leo Jordaan op 22 juli 1929 met als titel: Als de Kortenaer arriveert en daaronder: Alweer een rebellen "overval" met een wegrennende Fruytier. (Op 11 juni vertrok de Hr. Ms. Kortenaer van de Koninklijke Marine op weg naar Curaçao.)

Fichi
Adriana Sophia 'Fichi' Snoek was na haar huwelijk op 22 december 1912 met Carlos Alfredo Rincón blijven wonen bij haar moeder Henriëtte Elisabeth ‘Frou’ Snoek met haar zus Henriëtte Rosina 'Jèchi' en haar broer Henry Louis 'Dei'. Zij woonden toen op Morgenster bij een landhuis ten westen van het Schottegat. 'Morgenster' was gebouwd in de eerste helft van de negentiende eeuw. Er waren tuinen rondom. Naast het landhuis stond een klein huisje voor de huishoudster. Daar woonde Eliza die de huizen schoon hield, de was deed en het strijkgoed voor de hele familie. Zij woonde samen met een wees, een pientere zwarte jongen van een jaar of tien, Minguel Conquet. Samen met de familie Snoek zorgde ze voor Minguel. Wim die toen net kennis had gemaakt met 'Jetje' (zoals Wim op zijn Nederlands zei) nam Minguel toen die zestien jaar oud was mee om als hulp te werken in de kombuis van de tankers op zijn reizen naar Venezuela. Minguel kon koken als de beste. Daarbij hield hij van vissen en als er tijd was gooide hij een lijntje uit. Maar toen kwam de raffinaderij met de dikke walmende rook die dagelijks met de wind langs kwam. Geen prettige woonomgeving meer in het landhuis en de familie verhuisde.

De tweede zoon van Wim en Jèchi, Rudolph werd geboren op 28 januari 1930. Bij de geboorte was hij ernstig ziek en overleed op 2 februari 's avonds om half acht. Anton van Werkhoven deed de aangifte bij kranshi op 7 april. Rudolph werd begraven op het Protestantse kerkhof aan de Roodeweg. Wim en Jèchi besloten in het jaar 1933 met de kleine Wimpie per schip op vakantie te gaan naar Nederland. Ze gingen met de 'Simon Bolivar' van de K.N.S.M. Wim genoot van het varen, nu als passagier en niet als stuurman. Wimpie mocht overal een kijkje nemen, op het stuurdek, in de ruimen, de machinekamer, de telegrafiekamer en samen hadden zij de grootste pret. Jèchi was tijdens de reis vaak zeeziek en was niet echt enthousiast over de zee. Zij zat liever in de grote salon om met wat kennissen die zij had ontmoet te babbelen. Wim ontmoette er de toekomstige bisschop van Curaçao, mgr. Petrus Innocentius Verriet. Ze brachten hun tijd door met dammen en schaken en praatten ondertussen over met name de sociale problemen op het eiland en ook over de religie.

Wim was Nederlands Hervormd gedoopt in Vlissingen en ging nooit naar de kerk. Mgr. Verriet accepteerde dat, maar liet Wim wel beloven dat als er meer kinderen kwamen die katholiek te laten dopen. Tot verbazing van de monseigneur ging Wim er meteen mee akkoord, wat later bleek toen zijn gezin zich uitbreidde en de kinderen elke zondag naar de kerk moesten gaan. Verriet was als pastoor in mei 1931 met verlof naar Nederland vertrokken en hij werd op 6 januari 1932 tot bisschop gewijd door aartsbisschop mgr. Jansen van Utrecht. Op 5 mei van dat jaar werd hij door de bevolking feestelijk ingehaald en het Brionplein was stampvol.

Zeeuws
De familie Hendrikse ging op reis naar Nederland om in Vlissingen oma Elisabeth Hendrikse-Baart te gaan begroeten. Zij woonde toen in Glacisstraat 97. Speciaal voor deze gelegenheid had Elisabeth haar prachtige Zeeuwse traditionele jurk uit de kast gehaald en aangetrokken, kompleet met de gouden 'oorhangers' op haar witte muts. 'Jetje' was enthousiast over de Zeeuwse vriendelijkheid en de lekkere koffie en de zoete 'babbelaars'. Bij het bezoek waren ook tante Betsie Hendrikse en oom Jo Hendrikse. Hij had een zoon Anton die onderwijzer was in Vlissingen. Een broer van Wim, Johannes (Jo) Hendrikse heeft ook gevaren op de ‘Oost’ en was later loods aan de Schelde. Hij woonde jaren in Antwerpen en daarna in Vlissingen waar hij ook overleed. Hij was getuige bij het huwelijk van Annelies Rosenthal en Wim Knetermann in 1947.

de broers (v.l.n.r.) Willem, Johannes, Jan, Cornelis en Huibrecht Hendrikse Jo Hendrikse had een vriendin Maatje Adriana de Witte. Zij was op 15 november 1922 getrouwd met Willem Christiaan van Abkoude. Willem was korporaal bottelier op een oorlogsschip en voer naar de ‘Oost’. Het huwelijk werd toen met de 'handschoen' gesloten. Willem van Abkoude kreeg in Oost Indië een ongeneeslijke hersenziekte en hij moest tot op hoge leeftijd verpleegd worden in een inrichting in Nederland. Hierdoor kon Maatje niet scheiden om te kunnen trouwen met Jo Hendrikse. Maatje en Jo waren altijd goed met elkaar gebleven. Zij waren dol op kinderen maar hun eigen kinderwens is door de omstandigheden niet vervuld.

In Vlissingen hadden vader Willem een fotoprentkaart laten maken in de foto-atelier van Cornelis Henning Badhuisstraat 63/Middelburg Markt C 14. Wim had een deftig donker pak aan met een moderne stropdas en een witte pochet. Wimpie had een donkere matrozenpak ook met pochet en Jechi een keurige jurk zonder mouwen met een lange kralensnoer. Zij was kort geknipt met slaghaar. De kaart is gestuurd naar Frans Broekman en familie met de tekst: ‘Para nuestros queridos amigos. Frans y Fica con muchos abrazos de sus buenos amigos! Besitos para Ronny’. Wim en Fica waren goede vrienden en zij kwamen geregeld bij hen thuis aan de Breedestraat Otrobanda. Beneden was de winkel van Gilberto de Jongh, een autohandel van het merk Ford. Frans was een compagnon van Gilberto de Jongh en hij woonde boven de winkel. Wim en Jechi hebben genoten van hun bezoek in Vlissingen maar het was ook de laatste keer dat Wim zijn moeder zag. Na een paar maanden ging de familie weer terug naar Curaçao.

Op 27 december 1932 werd Gerda geboren. De familie Hendrikse besloot van de Caracasbaai te verhuizen naar Otrobanda. Ze woonden een tijdje aan de Witteweg 45, waar ze het huis deelden met de familie Snoek. De familie Hendrikse woonde in het benedenhuis, boven woonden oma 'Frou' Fichi, die inmiddels weduwe was geworden, en Dei. Wim had ontslag genomen als 'zeeman' en ging 'met pensioen' van de CSM/C.P.I.M. Hij besloot zakenman te worden. Met het geld van zijn pensioen kocht hij de inventaris op van een lege winkel in de Breedestraat Otrobanda. Hij begon een soort 'Winkel van Sinkel' met van alles en nog wat. Koopman Wim werd geholpen door Minguel Conquet als winkelbediende. De zaak liep tamelijk goed, maar op gegeven moment bleek dat vele klanten 'op de pof' kochten en daarna niet meer betaalden. Wim zag dat het geen succes zou worden: vele uren en maar weinig inkomen en hij nam de beslissing de winkel te sluiten. Hij verkocht de inventaris en van de opbrengst kocht hij drie busjes die hij met betaalde chauffeurs liet rijden. Toen ook dat geen succes werd, ging hij in dienst als ambtenaar bij de Burgerlijke Stand. Na een cursus promoveerde hij tot deurwaarder bij de belastingdienst. Dat betekende lastige klanten, die niet wilden betalen aan de 'gobiernu' een dwangbevel brengen en betekenen.

Hierdoor kwam hij over het hele eiland en kende hij alle buurten van pariba tot bandabou. Zo kwam hij ook in kontakt met een Chinees, eigenaar van twee restaurants. De man had altijd problemen met het aangeven van de inkomstenbelasting. Wim hielp hem gratis en ze werden grote vrienden. Bij Chinese feesten zoals het Chinese Nieuwjaar werd hij onthaald en werd er uitgebreid gegeten, thee gedronken en nauwelijks sterke drank gebruikt, want Chinezen eten veel liever en houden daarbij van een gezellig babbeltje en uiteraard van gokken (dobbelen en majong). Wim Hendrikse kocht een stuk terrein op 'Vredelust' in de wandelgangen 'Kortijn' genoemd, langs de Witteweg. Het terrein was van de familie Jan van der Meulen en hoorde bij het landhuis Kortijn in de 'kura di shon Janchi', omringd door een dichte mondi. 'Cortijn' was in de achttiende eeuw eigendom van Elias Courtin (vandaar de naam). In 1720 was Jan Ellis de eigenaar van een enorm terrein dat later werd verkaveld. Wim kocht het terrein op 25 september 1936 met een hypotheek via notaris Jan Beaujon.

Het perceel dat Wim kocht, besloeg driehonderd twee en zestig vierkante meter en de toen bekende Italiaanse architect Giovanni Pizziolo ontwierp een fraai huis dat door een aannemer werd gebouwd. Witteweg 81, op de hoek van de Witteweg en de Kortijnweg, werd uiteindelijk het adres van de familie Hendrikse-Snoek. Het huis had vier slaapkamers, een ruime badkamer, eetkamer en een grote keuken met waterpomp, waarmee handmatig water gepompt kon worden vanuit een grote regenbak onder het huis. De deftige sala en de slaapkamers hadden een houten vloer. De andere vertrekken waren van Italiaanse tegels. Bij het binnenkomen van het betegelde 'balkon' kwam men eerst in de 'hadrei', een voorkamer voor 'minder deftige' bezoekers. De vertrekken kwamen uit op een lange gang en er was altijd een frisse bries door de Noordoost passaat. De tuin was niet groot. Daarin had Fichi lange rijen blikken vol alle soorten planten. Er was één grote 'lamunchi' plant die veel water kreeg vanuit de eetkamer, zodat er altijd vruchten waren om de 'lamoenchi' uit te persen om er sap van te maken pa freska kurpa. Ook was er een klein stenen huisje in de tuin waar de werkster kon strijken en zich om kon kleden. Verder een stenen garage voor de auto aan de zijkant van het huis. Wim was trots op zijn huis. Bij notaris Jan Jacob Beaujon had hij de akte ondertekend, met een hypotheek voor het bedrag van zesduizend gulden, af te lossen met de som van driehonderd gulden per maand.

route vlucht Fokker F XVIII Snip Op 14 december 1934 vertrok het eerste KLM-vliegtuig de 'Snip', een Fokker F-18 van Schiphol naar de West. De route ging over Marseille, Alicante, Casablanca, Porto Praya naar Paramaribo, een afstand van 10.300 kilometer. Op 20 december landde de 'Snip' in Paramaribo en twee dagen later ging het vliegtuig verder naar Curaçao. Wim volgde op de radio de spannende reis over de Atlantische Oceaan. Zowel op het vliegveld van Suriname als op Curaçao werd de 'Snip' onder grote belangstelling en met enthousiasme ontvangen. Gezagvoerder J. Hongong, 2de piloot J. van Balkom, navigator S. van der Molen en werktuigkundige L. Stolk werden alle vier benoemd door koningin Wilhelmina tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Terstond na aankomst op Curaçao werd de 'Snip' verbouwd voor passagiersvervoer. De eerste weken werden benut voor het organiseren van rondvluchten om de Curaçaoënaars te laten wennen aan het vliegen. Op 19 januari 1935 kwam de eerste geregelde luchtdienst tussen Curaçao en Aruba tot stand. Door deze luchtverbinding werd het verkeer tussen de twee eilanden aanmerkelijk verbeterd. De duur van de reis per schip duurde toen zes uur, nu met de 'Snip' duurde de vlucht nog geen 5 kwartier.

Oorlog
Op 1 april 1937 werd Norbert geboren. "Hij was een april-mop", zei Wim en inderdaad had Norbert altijd moeite om de jongens uit te nodigen voor zijn verjaardag, want zij geloofden hem niet. Ruim een jaar later werd Elizabeth (Beppie) geboren. In mei 1940 begon de Tweede Wereldoorlog. De Duitsers waren ondanks alle beloften van de Nederlandse regering om 'neutraal' te blijven toch op verraderlijke wijze het land binnen gevallen. Het Nederlandse leger had geen enkele kans tegen de enorme overmacht van de goed getrainde Duitsers. En toen het centrum van Rotterdam praktisch geheel was verwoest, capituleerde het Nederlandse leger. Wim was woedend en schold op de 'moffen' en had geen goed woord voor de NSBers die op Curaçao woonden. De Duitsers op het eiland en de NSBers werden gevangen genomen en in een groot kamp op Bonaire geïnterneerd. Wim volgde het allemaal in de kranten de 'Amigoe' en de 'Beurs-en Nieuwsberichten', via Radio Curom en hij meldde zich vrijwillig bij de 'Burgerwacht'. 's Avonds moesten af en toe alle lichten uit om te 'verduisteren' uit vrees voor een aanval van de Duitsers. Als Wim dienst had bij het Riffort moest hij als Burgerwacht controleren of inderdaad alle lichten uit waren.

Een groot aantal Amerikaanse en Britse militairen vestigde zich op Curaçao om de kusten en vooral de raffinaderij te beschermen. Amerika en Engeland waren voor een groot deel afhankelijk van de vliegtuigbenzine en andere brandstof voor de tanks enz. voor het oorlogsgeweld. Met een groot stalen net werd elke avond de ingang van de Annabaai afgesloten om te voorkomen dat Duitse onderzeeërs het Schottegat zouden binnenvaren. Twee keer vond er een Duitse U-boot aanval plaats op geallieerde tankers. Met torpedo's werden de tankers geraakt. Op 16 februari 1942 torpedeerden de Duitsers de tanker 'Rafaela'. De bemanning verliet de schepen en de mannen sprongen in de brandende olie in zee om te worden opgepikt door kleine militaire schepen. Velen sneuvelden, anderen werden met verschrikkelijke brandwonden aan boord gehaald om met ambulance's naar het Groene Kruis Hospitaal aan de Witteweg te worden vervoerd. Elke avond flitsten de felle stralen van de zoeklichten uit het Fort Waakzaamheid, maar er kwamen gelukkig nooit Duitse vliegtuigen over. De afstand was te groot voor de Duitsers, maar de geallieerden bleven alert. In de oorlogsjaren is de 'Simon Bolivar' van de K.N.S.M. door de Duitsers getorpedeerd in de oceaan. Diverse bekende personen uit Curaçao zijn toen verdronken, onder wie een dochtertje van Gerrit Jansen en zijn vrouw Julie, kennissen van Wim, die van vakantie in Nederland terugkwamen.

Wim kreeg nauwelijks bericht uit Vlissingen. Af en toe kwam een neef van hem op Curaçao, Anton Aarenoud die als werktuigkundige aan boord van het K.N.S.M.-schip de 'Cottica' voer over de Atlantische Oceaan tussen Amerika, Suriname en Curaçao. Een zeer gevaarlijke reis, gezien de talloze drijvende mijnen die de Duitsers op de route naar het zuiden hadden geplaatst. Anton hoorde via telegrafie tussen de schepen dat het goed ging met moeder Elisabeth. Ook hoorde hij dat broer Cor (Cornelis Hendrikse) in Engeland was gaan wonen.

Zus Lena was getrouwd en woonde in Rotterdam. In Vlissingen naaide Lena de kleren voor het gezin. Zij was eerst verloofd met de sleperskapitein Dirk Moerman uit Den Helder. De verloving ging niet door omdat de 'broers' beweerden dat Dirk Moerman haar niet trouw was, een plagerij. Dirk Moerman is de man die door Jan den Hartog, schrijver van het boek 'Hollands Glorie' aanwijzingen heeft gegeven voor diens boek. Lena trouwde in 1912 met Willem Joseph Knetemann uit Rotterdam op 7 augustus 1912. Zij kregen drie kinderen: Elisabeth Hendrika Johanna, Willem Joseph Knetemann en Johann Knetemann. De baby overleed op 23 oktober 1918. Willem Joseph was soldaat en hij overleed op 6 augustus in datzelfde jaar op 29-jarige leeftijd ten gevolge van de beruchte Spaanse griep. Willem Joseph Knetemann jr. trouwde op 2 juli 1947 met Annelies Marianna Rosenthal. Zij kregen een dochter: Annelies Knetemann.

Verhaal van Cornelis Hendrikse
Cornelis Hendrikse, de tweede zoon van Leendert Hendrikse en van Elisabeth Baart uit Vlissingen, trouwde met Pieternella Barbé, dochter van de Belgische Jacob Barbé en van de Zeeuwse Georgina Mathilda Lauwereins. De familie Barbé kwam uit Ostende, België en Jacob ging werken als loods in Vlissingen.
familie Hendrikse in Lancashire met vlnr Leo, Cor, Eddy met Ellen, Leotje, Georgette, Nel Barbé, Jan Heinsen Cornelis (Cor) Hendrikse ging jong varen en hij was op zee toen de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvielen. Zijn vrouw Pieternella (Nel) en hun twee kinderen Georgette en Leo waren toen op bezoek in Ostende (België) en zij vluchtten naar Engeland. De twee oudste kinderen Jacob en Eddy Georgina bleven achter bij hun 'bomma' (grootmoeder) Georgina Mathilda Barbé in België. Eddy was in 1939 getrouwd met Jan Heinsen en Jacob was toen al volwassen. Jacob trouwde in 1941 met Elisabeth Veerkamp en kreeg in 1942 een dochter, geboren in Oostkapelle. In 1960 woonde Jacob nog in Vlissingen.
Nel en haar twee jongste kinderen gingen naar Londen en naar Crosby bij Liverpool. Tijdens de oorlog kwam Cor terecht in Spanje. Met de hulp van het Rode Kruis werd Cor uiteindelijk opgespoord en ging hij terug naar Engeland om zich met zijn familie te verenigen. Dochter Georgette was inmiddels volwassen en ging werken voor het Nederlandse department voor scheepvaart. In Liverpool ontmoette zij de weduwnaar Joseph Falk, een rijke wijnhandelaar die een groot landgoed had, Elmsfield. St. Michael's Church in Aughton, Lancashire Georgette en Joseph trouwden in September 1945 en zij gingen in Elmsfield wonen. Cor en zijn vrouw Pieternella trokken ook in het landgoed. Georgette en Joseph kregen in 1946 een zoon Julian Falk. Cor is nooit meer gaan werken als zeeman. Hij verzorgde de grote tuin en hield kippen. Pieternella Barbé is in 1950 overleden en werd begraven op het kerkhof van St. Michael's Church te Aughton, de oudste Anglicaanse kerk in Lancashire. Na het overlijden van Pieternella ging Cor in een kosthuis wonen. De hospita met de naam Emily, die inmiddels weduwe was, trouwde met Cor. Na het overlijden van Joseph Falk, hertrouwde Georgette met de Ier Patrick Marshall en zij bleven op Elmsfield wonen.

Zoon Leo trouwde in 1953 met de Engelse Alice Howard. Het echtpaar kreeg zeven kinderen en woonde eerst in Olmskirk en later in Lydiate, Lancashire. Leo heeft 25 jaar gewerkt als boer, maar door een slechte gezondheid ging hij later werken als tuinman, paardenverzorger en tenslotte bij een supermarket. Zoon Steve begon ook als boer in Burscough maar hij ging zich spoedig specialiseren in een software onderneming. Hij ontwikkelde softwareprogramma's voor het Web en begon een eigen bedrijf. Steve werd later privé rechercheur en trainde speurhonden voor het opsporen van explosieven en drugs. Zijn broer Paul, begon ook als landbouwer en werd later opzichter bij diverse boerderijen en levert nu bouwmaterialen voor gebouwen.

Eddy Hendrikse was in 1939 in Vlissingen met Jan Heinsen getrouwd en zij kregen drie kinderen: Yvonne, Ellen en Leo. Eddy had een winkel aan de Nieuwendijk en zij verkocht juwelen, linnen en make-up spullen in de winkel 'Jo van Boven' aan de Sint Jacobstraat.

Yvonne Heinsen vertelt dat Georgette haar lievelingstante was: "Georgette was vijf jaar jonger dan mijn moeder en zo heel anders: vrolijk, levenslustig, een bijzondere vrouw. Haar zoon Julian is meer een broer van mij en hij beschouwt mij ook als zijn zus. Na de dood van Georgette ben ik veel contact blijven houden met Patrick - haar tweede man, die 7 jaar na haar overleed - en met Julian. Heerlijk, dat mengelmoesje van Engels, Vlaams en Vlissings. Julian wist niet beter, en Patrick nam het ook over, maar die gooide er meer Duits tussen, in de volle overtuigng dat het perfect Nederlands was. In mijn kindertijd woonden ze nog op het landgoed Elmsfield met prachtige tuinen er omheen, een binnenplaats, een koetshuis, een tuinhuis, een koetsierswoning, een butler's pantry, dienstmeidenkamers, vijvers, later een zwembad. Een echt paradijs voor mij. Helaas hebben ze later het huis laten slopen. De grond werd verkocht aan een projectontwikkelaar die er 13 huizen op gezet heeft, waaruit zij de eerste keus hadden. Eeuwig zonde! Het was niet meer op te brengen om het te onderhouden. Het nieuwe wijkje heet nu Elmsfield Park. Julian woont daar nu nog."

De familie Hendrikse in Lydiate met vlnr Cynthia, Steve, Paul, Alice Howard, Angela, Pamela en Michelle Yvonne: "Er was een enorme tegenstelling tussen de leefomstandigheden van Georgette op het landgoed met de rijke, veel oudere man. Leo was ronduit arm en kon met z'n grote kinderschare nauwelijks rond komen. Georgette gaf vaak geld en kleding. We zijn er een keer geweest met haar, en ik vond het heel triest. Het mini-huisje was een grote bende, je plakte aan de bank vast en overal lagen natte luiers, afwas, rommel. De vitrage die voor de ramen hing, was van wit naar asgrauw getransformeerd en de hele buurt kwam op mij 'grauw' over. Leo werkt toen op een 'pig farm' en ik ruik nog de geur die om hem heen hing, ook als hij op een zondag in zijn nette pak op Elmsfield op visite kwam".

"Patrick was ook een zeer bijzondere man. Een Ier van geboorte, nooit eerder getrouwd geweest; heel z'n leven in het leger gezeten, overal geweest, ook in het vreemdelingenlegioen en als zodanig ontzettend veel meegemaakt. Van angst is hij in één nacht grijs geworden en hij heeft ook deelgenomen aan de bevrijding van Walcheren, landde in Vlissingen en Westkapelle. We zijn met hem nog naar die landingsplekken en monumenten teruggeweest, heel emotioneel".

Cornelis Hendrikse overleed eind 1980. Hij was eigenlijk niet erg gelukkig meer in zijn leven. Hij was mank, doof en had op diverse plaatsen littekens. Hij had een metalen plaatje in zijn kaak en in zijn benen. Door de oorlog? Hij dronk onzettend veel en werd een alcoholicus. Hij verkocht van alles om geld te verzamelen om drank te kopen. Georgette en Leo overleden kort achter elkaar in 1992 en zijn begraven in Aughton. Aughton is een klein dorp met amper 8000 inwoners, een agrarische gemeente maar in de zomer kwamen er veel toeristen. Kleinzoon Steve Hendrikse vestigde zich in Lydiate op loopafstand van Aughton. Hij trouwde met Amanda Fletcher en zij kregen vier kinderen, dus de Engelse tak van Hendrikse is de laatste jaren flink uitgebreid.

Een foto uit 1946 toont de familie Hendrikse in Lancashire: v.l.n.r. Leo (zoon van Cornelis), Cornelis, Eddy met haar dochter Ellen, Leo (een zoontje van Eddy), Georgette (toen in verwachting), Pieternella Barbé (vrouw van Cornelis), Jan Heinsen (echtgenoot van Eddy) tijdens het bezoek van Eddy aan haar ouders in Engeland. Haar zus Georgette met haar tweede man Patrick Marshall zijn op bezoek geweest in Vlissingen.

De andere foto toont de familie Hendrikse in Lydiate, Lancashire: v.l.n.r.: Cynthia, Steve, Paul, moeder Alice Howard, Angela, Pamela en Michelle (niet op de foto broer Lawrence).

Oud Fordje
Op Curaçao hadden de kinderen Hendrikse nauwelijks notie van de oorlog. Wimpie was inmiddels 16 jaar oud, slaagde voor zijn Mulo en ging werken op het Departement van Financiën. Gerda en Beppie zaten nog op de lagere school van het St. Martinus Gesticht aan het Brionplein. Norbert ging eerst naar het St. Willibrord College vlak bij de Santa Famia kerk, daarna naar het St. Thomas College aan de Roodeweg. Bijna elke middag reden de kinderen Hendrikse met pa Wim in zijn zwarte Ford naar het Rif om te wandelen langs het water, naar schelpen te zoeken en visjes te vangen. Daarna werd de rit voortgezet naar 'Recreation Park' bij Mundo Nobo om er een ijsje te eten, het liefst van pinda. Zelf nam Wim een biertje. Terug thuis ging hij met zijn sloffen aan op de porch zitten om wat te lezen in zijn tijdschriften 'Time', 'True Detective' en 'Master Detective', poliltie-verhalen uit Amerika. Als het donker werd zat hij onder de leeslamp om een 'echt' boek te lezen. Vaak ook ging hij met de kinderen mee naar de Openbare Bibliotheek om jeugdlectuur te halen, 'bakvissen verhalen' voor de meisjes, avonturen over indianen en schepen voor Norbert. Voordat Wim naar bed ging, keek hij altijd eerst even in de frigidair of er nog een lekker stuk kaas of worst was. Niet voor zichzelf, maar voor een hond of kat die op straat langskwam, om te trakteren. Jèchi mopperde wat, maar ze liet Wim maar begaan. Hij kon dat toch niet laten.

's-Zondags ging de familie wel eens naar Bandabou om te picknicken en te zwemmen. De oude Ford had moeite de heuvels op te komen bij Kleine Berg en Grote Berg en de veren kraakten en piepten dat het een lieve lust was. De kinderen werden ongeduldig en kregen pijn aan hun achterwerk van het lange zitten. Bij de kerk van Barber kon er gelukkig eindelijk even gestopt worden om een broodje of een 'pandushi' te eten en limonade of lamoenchi te drinken. Daarna ging de rit verder naar Knip of naar de baai van Westpunt om te stoeien op het strand en een duik te nemen in de blauwe zee. Flink verbrand, een pijnlijke rug en met een vuurrode kop ging het weer huiswaarts en zaten de volgende dagen de blaren nog op hun ruggen. Jèchi smeerde met allerlei vette troep om de pijn te verzachten.

Zuikertuintje
Bij kortere uitjes in de buurt, bracht Wim de kinderen naar 'Zuikertuintje'. Daar konden Norbert en Beppie spelen tussen de bomen en hangen als apen of als 'Tarzan' slingeren aan de lianen. Gerda was wat ouder en nam pianoles bij Jacobo ‘Shon Coco’ Palm, een zeer beschaafde docent in zijn witte pak en met zijn elegante grijze snor. Wimpie kreeg vioolles. Norbert vond het ‘vioolgejengel’ verschrikkelijk en ging meestal op de vlucht om buiten te gaan voetballen of te basketballen. Wimpie bleef echter fanatiek oefenen en speelde later tweede viool bij het Curaçaosch Philharmonisch Orkest, onder leiding van dirigent Rudolf ‘Shon Dòdò’ Boskaljon. Ook Beppie kreeg op gegeven moment net als Gerda pianoles bij Shon Coco.

Vader Wim was niet erg muzikaal maar hij luisterde wel graag naar de radio, Nederlandse liedjes, klassiek en ook Surinaamse en Indische deuntjes. Geregeld ging hij een potje dammen of schaken met Norbert, die het hem had geleerd en elke week ook met pater Raphael Bührs, een kapelaan van de kerk Santa Famia en af en toe ook met Tony Halman. Pater Bührs liep altijd met zijn witte helm op en zijn 'witte jurk', zoals Wim zei. De pater kwam uit Amsterdam en overleed plotseling op 14 januari 1956 op 76-jarige leeftijd.

Op de Witteweg kwam elke week een garoshi (een kar op wielen) getrokken door een ezel. De kar bracht regenwater, geleverd door Shon Lau. Hij was de koster van de kerk Santa Famia en behalve de klok luiden en het helpen van de priesters bij het voorbereiden van de dagelijkse mis en het wekelijkse 'lof' mocht hij water halen uit de grote regenbak van de Santa Famia kerk. Shon Lau had een spreuk achter op de grote ronde houten ton geverfd met grote letters: 'Dios mi dilanti, mi mes patras'. De ezel liep voor en hij achterop, tamelijk oneerbiedig.

Af en toe ging vader Willem naar de ijsfabriek aan de Kortijnweg, eigendom van Benny Prince. In het begin kocht Willem grote blokken ijs voor de ouderwetse ijskast. Met een ice pick werden de blokken in kleinere stukken gekapt. Norbert mocht even kijken in de vrieskamer met een temperatuur onder nul. Daarna dronken ze een lokaal gemaakte limonade in zwarte botter pretu (zwarte flessen). De eerste eigenaar van de ijsfabriek was Wichi Vermeulen. Zijn dochter Bea was getrouwd met Benny Prince. Benny kwam uit Venezuela om zich te vestigen op het eiland. Op de zondagen gingen Norbert en Beppie soms in het weekend naar de film. Wim bracht hen naar het theater West End en de kinderen genoten van cowboyfilms, zoals de zingende cowboy Gene Autrey en Roy Rogers, of van Tarzan met de oerwoudkreten van de langharige Johnny Weismuller en de aap Cheeta. In de pauze kochten ze een pak popcorn of een ijsje. Als de pauze naar hun zin te lang duurde, begonnen de jongelui te fluiten en te gillen : ''Shon Popo paga luz'', de lichten moesten zo snel mogelijk uit om naar het vervolg van de film te kunnen kijken. Op 8 maart 1942 werd Marie Céline geboren. Zij werd de lieveling van pa Wim en werd dan ook echt door hem verwend als jongste. Wim was op 20 juni 1944 bij een feestelijk concert in het Theater Brion op Otrobanda aanwezig bij het eerste lustrum van het Curaçaos Philarmonisch Orkest onder leiding van Rudolf Boskaljon. Het orkest had toen 43 leden. Goede bekenden van Wim waren ‘Shon Coco’ Palm, Lucila Engels, Adhemar Hart, Yolanda Corsen, Fanny Maduro en Christiaan Engels (pianist).

Op 5 mei 1945 was de oorlog voorbij. Men kon de jubelende klokken in de toren van de Santa Famiakerk horen galmen op die middag en iedereen ging de straat op om elkaar te feliciteren met de bevrijding van Nederland. Voor Wim was dat ook een opluchting in verband met de familie in Vlissingen. Uit de krant vernam hij hoe vreselijk de Duitsers tekeer waren gegaan tijdens de bezetting van Nederland. Hij las hoe de joden uit Amsterdam werden opgepakt en als vee in treinen werden vervoerd naar concentratiekampen in Oost-Europa: Auschwitz, Birkenau, Bergen-Belsen, Buchenwald, Dachau, Treblinka, Sobibor en al die andere. Tijdens het nieuws uit Londen via de kortegolf hoorde Wim dat de Duitse soldaten de dijken in Walcheren hadden doorgestoken waardoor de zee het land in stroomde, met het gevolg dat een groot deel van Zeeland onder water stond. Moeder Elisabeth en enkele honderden andere Zeeuwen werden geëvacueerd naar hogerliggende gebieden. Elisabeth vertrok naar Zuiddorpe.

Curaçao merkte niet veel van de oorlog. Integendeel het eiland kende een geweldige economische boom door de groei van de raffinaderij. Op dat moment waren er bijna vijftienduizend werknemers in dienst van de C.P.I.M. Uit diverse landen moest men werknemers aantrekken, Portugezen uit Madeira, Surinamers, Colombianen en Venezolanen uit Zuid-Amerika, inwoners van Trinidad, Jamaica en van de kleinere eilanden als St. Kitts, Dominica, St.Vincent, enz. In speciale kampen in de buurt van de 'Isla' woonden duizenden buitenlanders die allen bij de C.P.I.M in dienst waren. Uiteraard ontstonden er tal van sociale problemen en probeerde de kerk zo goed mogelijk al die vrijgezelle mannen in het gareel te houden. Met toestemming van de overheid en van de kerkelijke autoriteiten werd een officieel bordeel opgericht, 'Campo Alegre' bij het vliegveld Hato. Zeelui, buitenlandse militairen en buitenlandse werknemers van de Isla konden naar het 'vrolijke kamp' om zo te voorkomen dat er braspartijen en vechtpartijen ontstonden in de stad. De hoertjes uit met name Cuba, Santo Domingo en Colombia kwamen voor een paar weken onder strenge voorschriften en moesten geregeld medisch worden gekeurd.

Gerda maakte haar lagere school af en ging naar de A.M.S., de eerste middelbare school op Curaçao, 'de school van Meijer en Farjon', vakkundige docenten en uitstekende organisatoren van de school. Gerda behaalde haar diploma, ging 'kweken' in het onderwijs en besloot naar Nederland te gaan om M.O. Nederlands te gaan doen.

Oma Frou Snoek-DeVriendt werd in 1946 ernstig ziek. Ze was toen in de zeventig en kreeg een wond aan het hoofd die maar niet wilde genezen. In die tijd mocht men het woord 'kanker' niet uitspreken, maar in feite had zij die kwaadaardige ziekte. Op 3 juni 1946 laat in de avond overleed zij. De begrafenis vond plaats vanuit het huis aan de Witteweg. Het was een drukte van allerlei kennissen die kwamen condoleren. De kinderen hadden nooit eerder de dood van zo dichtbij meegemaakt en het was een indrukwekkende en tegelijkertijd erg droevige gebeurtenis die heel lang indruk op hen heeft gemaakt. Dominee Mietes sprak een gebed uit, de kist werd gedragen naar de lijkauto en te voet ging het langs de kerk van Santa Famia naar het Protestantse kerkhof aan de Roodeweg. Oma Frou werd begraven in een nieuwe kelder, die Wim had laten bouwen. Erop een fraaie marmeren plaat met de naam H.E. Snoek-DeVriendt en haar data erin gegraveerd.

Niet lang daarna, in augustus kreeg Wim bericht dat zijn moeder was overleden. Zij bereikte de leeftijd van 82 jaar en stierf op 18 augustus 1946 in het Bejaardentehuis O.L.V. van Lourdes in Zuiddorpe. Twee dagen later werd zij begraven in het dorp Axel, niet ver van het dorp van haar ouderlijk huis.

Carillon
Op 7 maart 1948 werd het Curaçaos Museum feestelijk geopend, hét project van dokter Chris Engels. Engels was in de jaren '30-'40 de huisarts van Wim en zijn vrouw Jèchi bij de geboorte van de kinderen. Het museum was een voormalig militair hospitaal en quarantainegebouw. Door een zorgvuldige restauratie en na het aanbrengen van de nodige veranderingen werd het een aantrekkelijk museumgebouw. Wim ging met zijn kinderen in het weekend naar het museum om het te bezichtigen. Er kwam een groot carillon, gemaakt door de firma N.V. Nederlandse Klokkengieterij Eijsbouts-Lips in Asten in Brabant.

Op zaterdag 16 juni 1951 werd het carillon voor het eerst bespeeld in aanwezigheid van koningin Juliana en prinses Beatrix. De klokken kregen namen van 'de vier koningskinderen' en diverse bekende Curaçaoënaars, o.a. de oorlogshelden George Maduro, Charles Debrot en Boy Ecury, bekende musici en schrijvers zoals Jerry Palm, Agustin Bethencourt, Coco Palm, Jules Blassini, Chris Ulder, Emirto De Lima, Janchi en Dòdò Boskaljon, John de Pool enz. Bij de namen was ook dr. Enrique Ecker, een bekend familielid van Edmeé "Shon Mé" Ecker, de peettante van Norbert. Zij was een van de eerste vrouwelijke ambtenaren in Punda, geboren op 22 november 1890. Haar ouders waren Johannes (John) Julian Ecker (36) handelaar en Catharina Martina van Son. Bij de geboorte van Edmée waren de getuigen Johan Petrus Gerardus Ecker (33), boekbinder en Pieter Anastatius Prince (44), zilversmid.

De ouders van Catharina van Son waren Henricus (Henry) Johannes van Son en Maria Ignacia Jansen. Henry van Son was boekbinder van beroep en kwam in 1834 uit Nederland aan als kamerheer van de bisschop mgr. Nieuwindt. Hij werd 'majordomus' van de bisschop en was zowel knecht als ceremoniemeester. Later was hij ook aanspreker en doodgraver. In 1867 werd hij boekbinder bij de kerk van St. Anna in Otrobanda. Hij hoorde bij de vriendenclub van de monseigneur met o.a. koster Bartholomeus (Barth) Senior jr., Lorenzo de la Try, Johan Conrad Kijm, Bellafaas Meijer, Francisco Pardo en Hendrik da Costa. Verder waren er ook David Albertus Gomes Casseres (overleden in 1841) en Guillaume Albertier die van 1841-1856 organist was van de kerk St. Anna.

John Ecker was de zoon van Eduard Ecker en van Anna Henriëtte Clermont. John was majoor-sergeant bij de schutterij, werd zakenman en ging naar de stad Colon in Panama om daar te wonen. In december 1890 werd hij lid van de loge op Curaçao. Hij was een zeer begaafde kunstschilder. Een groot zelfportret van hem heeft jarenlang gehangen in zijn woning Villa Belvedère. John had het huis gekocht van James Agnes Jones op 28 december 1920 voor de prijs van f. 18.000. John (78) overleed op 29 oktober 1932 aan boord van het passagiersschip S.S. 'Bolivar' van de KNSM in het Engelse Kanaal. Hij was op reis van Amsterdam naar Curaçao. Kapitein Nicolaas Selhorst Hartog stelde de overlijdensakte op en gaf deze af bij het Burgerlijke Stand op Curaçao. Na het overlijden van John werd het huis overgenomen door zijn weduwe Cathalina van Son en haar twee kinderen. De familie woonde aanvankelijk op de benedenverdieping, boven woonde de familie Boom.

In het begin van de jaren vijftig kwam de familie Boskaljon daar wonen, Graciela Boskaljon Ecker, een nicht van Mé Ecker. Graciela was slecht ter been en daarom verhuisde Shon Me naar de bovenverdieping. Na haar overlijden op 25 december 1966, werd het huis verdeeld bij een boedelscheiding over vijf personen. De heer Ramon Ruiter wilde het gebouw kopen maar de meerderheid van de erven waren tegen de verkoop. De familie Boskaljon bleef wonen in het huis. Rudolf Boskaljon, Shon Dòdò, was de oprichter van het Philarmonisch Orkest Curaçao en hij gaf daar muziekles. Ook de familie van Gloria Diaz en haar drie kinderen woonde daar. Tenslotte werd het huis verkocht aan Ramon Ruiter voor f. 60.000. De villa was inmiddels in zeer slechte staat want Ruiter liet het huis niet onderhouden. Hij rekende erop dat de overheid het terrein zou kopen voor de bouw van een afrit van de brug. De Stichting Monumentenzorg heeft het tenslotte gekocht voor de prijs van f. 60.000 en het historische pand is volkomen gerestaureerd en verhuurd aan een advocatenkantoor. Na het overlijden van Shon Mé op 25 december 1966 werd het portret geplaatst in het Curaçaos Museum.

Abraham
Op 14 november 1948 vierde Wim zijn vijftigste verjaardag en het was natuurlijk groot feest nu hij Abraham had gezien. Er werden allerlei lekkere hapjes gehaald, grote flessen whiskey, kratten bier, ponche crema en een versiering met ballonnen en slingers. Zijn beste vrienden, Henry de Jongh, Eduard ‘Wa’ de Jongh, Piet Breusers, Gerrit Jansen, getrouwd met Julie Galmeyer, George Jacobs en zijn vrouw Linda Peiliker en vele anderen waren present. Henry de Jongh was getrouwd met Florence ‘Fooi’ Boskaljon. Ze hadden twee zoons: Eddie en Arthur en twee dochters Carole en Enid. Zij woonden in Kortijn. Hun huis grensde aan de Kurá di shon Janchi'. Henry had een goedlopende sportzaak, 'Sporthuis De Jongh' aan de Breedestraat (O) en was de peetoom van Norbert. Hij nam hem vaak mee om te gaan kijken naar voetbalwedstrijden in het Rifstadion. Piet Breusers woonde iets verderop aan de Kortijnweg, ook grenzend aan de Kurá di shon Janchi. Petrus Hendricus Breusers (1912-1992) was getrouwd met Ida Hortencia Broekman, jarenlang een vriendin van Jèchi, de vrouw van Wim. Zij hadden drie kinderen: Rubert (1942), Phyllis Marie (1937) en Jacqueline (1945). Piet was Postdirekteur en bracht elke morgen de kinderen naar school, ook de meisjes Hendrikse.

Norbert liep zelf naar het St. Thomas College en nam de vijf jaar jongere Rubert mee om op hem te letten bij het oversteken. Naast Piet en Ida Breusers woonde Henriëtte Jèjè de Jongh-Broekman (1875-1966) met haar ongehuwde dochter Lina Broekman. Jèjè Broekman was van dezelfde leeftijd als oma 'Frou' DeVriendt-Snoek. 'Shon Mé' 'tante Edmeé Catharina Ecker (geboren op 22 novemer 1890) was de madrina van Norbert. Zij woonde in het bovenhuis van 'Bèlvedère' en dagelijks kwam ze langs in de Witteweg om naar het lof te gaan in de Santa Famia kerk. Als 'vaste klant' kwam ook bijna dagelijks Jèchi Romijn langs. Wim moest haar altijd even plagen. Hij had haar eens verteld dat er een teckel met korte pootjes op straat langs kwam. Volgens Wim had de hond eerst lange poten gehad, maar door het vele rennen op straat waren zijn pootjes afgesleten. Ai e pober, zei Jèchi Romijn en Wim barstte van het lachen. Wim maakte ook altijd grapjes met Aura de Jongh, een vrolijke buurvrouw uit de Witteweg. Haar galmende lach hoorde je al van ver als Wim weer bezig was schuine moppen te vertellen. Ze woonde samen met haar twee zussen en hun kinderen in een groot verdiepingshuis. Vader John de Jongh was een bekende apotheker en eigenaar van 'Botica del Pueblo' in de Breedestraat Otrobanda.

Schuin tegenover de Witteweg 81 stond een statig herenhuis van Willem 'Wewe' Peiliker en zijn vrouw Julia Peiliker. Ze waren familie van Renée Rigaud. 'Jèchi' ging geregeld langs bij Julia om een praatje te maken. Wewe werd opgeleid door de luitenant ter Zee A.J.W. van Anrooy tot radiotelegrafist samen met Anthony Beaujon. Beaujon werd eerste chef van het radiostation op Aruba.

Wewe Peiliker vertrok op 11 maart 1911 samen met de mariniers H. Timmermans (sergeant majoor seiner) en korporaal-monteur Bruinsma met de bark 'Prinses Juliana' naar Bonaire. Doordat er een sterke stroom was kwam het schip pas aan op 13 maart! Wewe Peiliker was benoemd tot chef om een radiostation op te richten op Bonaire. Op dinsdag 18 april 1911 was het station klaar en het eerste telegram werd verstuurd naar gouverneur Nuyens op Curaçao (geg. Joh. Hartog deel Bonaire pagina 244). Later werd Wewe Peiliker hoofd van Lands Radiodienst in Otrobanda. Hij woonde toen als vrijgezel in het Riffort samen met zijn twee zussen Jeannette en Linda. Na zijn trouwen met Julia Jacobs verhuisde hij naar de Witteweg. Hij diende als Hoofd van de Radiodienst op Curaçao tot 1 augustus 1944. Hij was een deskundige op radiogebied wiens naam tot ver buiten Curaçao bekend was. Peiliker vervulde herhaalde malen tijdelijk de betrekking van Directeur van de Landsradio- en Telefoondienst en werd benoemd in 1938 tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. ('Oranje en de zes Caribische parelen', pag. 343).

Buurman 'Shon Pipichi' Van Eps (Pieter Hendrik van Eps), rechts naast de Witteweg 81 was opticiën en 'Jèchi' bracht af en toe haar bril naar hem om het 'geraamte' zoals ze het noemde (montuur) bij te laten stellen door 'Pipichi'. Iets verderop woonde de familie Martijn. Ernesto Martijn was een bekende zakenman. Hij had een grote bakkerij en een koffiebranderij aan de Roodeweg. Als je daar pandushi ging kopen, rook je ook altijd de heerlijke geur van de Dominicaanse koffie uit verse bonen.

Jèchi Hendrikse had ook een goede vriendin, Clarita Romijn-Snijders. Clarita werd Mai genoemd maar ook Ichi en Tantán, maar wij noemde haar gewoon tante Ita. Clarita was ook de naam van het schip (eigendom van de familie Weber), waarop haar vader kapitein was. Clarita was getrouwd met Willem Romijn en haar huwelijk bleef kinderloos. Zij had geen gemakkelijk leven na de scheiding met Wimpie Romijn. Zij woonde de laatste jaren in het St. Elisabeth Hospitaal en trad toe in de ‘Derde orde’ bij de zusters. In het jaar 1949 besloot Jèchi Hendrikse katholiek te worden. In de St. Famia kerk in Otrobanda werd zij op 1 juli gedoopt en een dag later ontving zij haar eerste communie samen met haar dochter Marie Celine Hendrikse. Jechi had jarenlang gesproken met tante Ita Romijn-Snijders en zij ging sindsdien elke zondagmorgen naar de kerk en vaak ook naar het lof ‘s-avonds om met haar de rozenkrans te bidden.

De vader van tante Ita, Christiaan Snijders, had een schoener voor de handel in fruit en groeten met Zuid-Amerika. Hij bezat landhuis/plantage Zegu en was eigenaar van twee naast elkaar liggende woonhuizen in de Bonairestraat in Otrabanda, waarvan een de naam draagt van villa Colombia, verwijzende naar de vele zeereizen die hij maakte naar Colombia. Christiaan Snijders was gehuwd met Constancia Eusebia Fraai, dochter van Zephier Fraai. Zephier was ongehuwd en kreeg een zoon van Willem Hans Jolley. Zijn vader, Willem Johannes Jolley was toen sergeant bij de Schutterij en hij werd later een goede zakenman. ‘Wewe’ Jolley werd later toeziend voogd van Henriette Elisabeth De Vriendt, de moeder van 'Jèchi' (zie verder familie Snoek)

Casa Blanca
In 1951 trouwde Wimpie met Renée Rigaud dochter van Quintus Rigaud en Jeannette Peiliker. Renée werkte als ambtenaar in Punda en daarnaast was zij aktief in de politiek bij de Katholieke Volks Partij (KVP). Het was de partij van de bisschop en de paters met als topmannen o.a. de briljante politicus Moises da Costa Gomez, Ben Leito, Sjaki Debrot, Jossy Capriles en ook haar broer Sigfried Rigaud. Maar na 1945 gingen diverse politici zoals Ben Leito, Debrot en Sigfried Rigaud over naar de Democratische Partij. Moises da Costa Gomez begon zijn eigen partij, de Nationale Partij. Renée zelf verloor haar belangstelling voor de politiek en kreeg meer belangstelling voor het dichten. De Rigauds bewoonden toen het grote herenhuis Casa Blanca, tegenover het St. Thomas College. In de grote zaal met marmeren vloer vond de trouwpartij plaats, met zes bruidsmeisjes in deftige lange jurken en smokings voor de bruidsjonkers. De schattige kleintjes waren 'strooistertjes' en het feest duurde tot laat in de avond tot aan het vertrek van Wimpie en Renée, dat onder luid getoeter van de versierde auto's plaatsvond.

In augustus 1960 kwam Norbert na 4 jaar Nederland terug op vakantie. Wim was blij om met hem te praten over van alles en nog wat, over het leven in Nederland, de vakanties in Spanje en over de boeken die hij had gelezen. Wim leek nu ouder en was trager geworden in zijn reacties. Af en toe was hij verstrooid alsof hij steeds bezig was met zijn gedachten. Maar toch bleef hij elke dag zijn boeken en tijdschriften lezen op de porch. Daarbij rookte hij één van zijn vele pijpen uit zijn grote collectie in zijn speciaal 'pijpenrek'. Als het tijd was om te gaan slapen, ging hij gewoonte getrouw eerst naar zijn oude hangklok om deze op te winden. In die klok bewaarde hij zijn eigen 'rijkdom', een gouden zakhorloge, belangrijke papieren maar ook korte briefjes om bepaalde dingen niet te vergeten.

Een jaar later, weer terug in Nederland kreeg Norbert telefonisch het bericht dat Wim ernstig ziek was. Een ongedefinieerde besmettelijke ziekte. Op Curaçao dacht men aan lepra, maar deze ziekte was al lang geleden uitgeroeid. Voor de zekerheid werd Wim apart gezet, niet meer in zijn eigen bed naast zijn vrouw en moest hij zich in een afzonderlijk bad wassen. Uiteindelijk ging Wim samen met zijn vrouw Jèchi per vliegtuig naar Nederland en meteen naar Rotterdam voor onderzoek op een speciale afdeling voor Tropische ziekten. Na een paar weken bleek dat hij zeker geen lepra had. Wel had de dokter Wim aangeraden een tijdje in Nederland te blijven in verband met de warmte op Curaçao, want dat zou kunnen leiden tot een groter risico voor allerlei ziektes.

Na een jaar vond Wim het welletjes, hij verveelde zich in het stille Aerdenhout en het weer vond hij belabberd: regen, regen en nog meer regen. Hij besloot terug te gaan naar Curaçao. 'Dei' Snoek was blij toen hij dat hoorde, want zonder de familie was het stil in het huis aan de Witteweg. Hij was één keer in Nederland geweest op vakantie om Norbert te bezoeken, maar binnen twee weken was hij weer terug op Curaçao. 'Niets voor mij', zei hij, 'veel te koud en het regent daar altijd'.

Norbert en Mieke, die inmiddels verkering hadden, gingen samen met Wim en Jèchi en met Céline op 7 augustus 1962 naar Genua, een lange treinreis met veel tussenstops. De reis begon in Amsterdam, via Utrecht, Emmerich, Keulen, Basel, de tunnel Gotthardt, Lösschberg, Isselle, Milaan, Novara en uitendelijk Genua. Genua was een drukke havenstad, met veel historische gebouwen en een gezellig plein met grote terrassen. De hele dag dronken de Italianen capuccino en in hun rappe Genuese taal converseerden ze met elkaar onder het nuttigen van allerlei hapjes terwijl ze naar de toeristen keken. Op 18 september begon de terugreis naar Curaçao. Wim had de reisbiljetten besteld, per schip vanuit Genua via Napels, Barcelona, Tenerife naar La Guayra. Vandaar per vliegtuig verder naar Curaçao. De vakantie zat er weer op, tijd voor afscheid. Gezamenlijk gingen ze het schip bekijken, waarmee Wim, Jechi en Céline terug zouden gaan. Het was een Italiaans toeristenschip, de 'Anna C.' van de 'Costa Line'. Tegen de avond ging het schip los van de trossen. Norbert en Mieke zwaaiden naar Wim, die zijn hoed op had, naar de huilende Jèchi en de enthousiaste Céline. Zij beseften zich toen nog niet dat dat hun laatste afscheid was van Wim.

De Zwaan
Gerda trouwde op 15 januari 1963 met Bertus Hemmelder in Delden, een prachtige omgeving in de buurt van Hengelo, Overijssel. Zij hadden een familie hotel 'De Zwaan' geërfd van vader Hemmelder. De eerste eigenaar, Gerhardus Hemmelder (1776-1848), had een logement aan de Langestraat no. 10. Bertus was een echte horeca vakman, Gerda vergat de school en hielp mee met de administratie, want van cijfers had Bertus niet veel verstand. Bertus hield van jagen, kijken naar de vogels in de bossen en hij kon goed koken en kende alle wijnen. Zij kregen twee dochters, Tonneke en Hettie en één zoon Bertus jr.

Norbert en Mieke trouwden in Tilburg op 20 januari 1966. De huwelijksinzegening vond plaats in de kapel van O.L.Vrouw ter Nood en daarna vond er een drukke receptie plaats in Maison van Kampen aan de Nieuwlandstraat 37. Bijna alle collega’s van Norbert van het Brabants Dagblad en veel kennissen en vriendinnen van Mieke en vrienden van Norbert uit Curaçao waren aanwezig.

Norbert en Mieke woonden toen al in Hintham, een dorp bij 's Hertogenbosch. Norbert werkte als journalist bij het Brabants Dagblad in Den Bosch, daarvóór bij de Tilburgsche Courant en Het Nieuwsblad. In Tilburg had Mieke gewerkt in het Textiel Museum. Ze hield rondleidingen en verzorgde cursussen voor kinderen in het weven en spinnen. In 1967 werd Nathalie geboren en een jaartje later kwam Norbert jr. 'Noppie' erbij.

Beppie trouwde met Ton Thijssen op 25 mei 1965 in Nijmegen. Ze had een schoonheidssalon aan huis en Ton maakte deel uit van de direktie van een groothandelsbedrijf in papier in Nijmegen. Met de geboorte van Tony en van Lizette kwamen Norbert en Mieke af en toe met de bus uit Den Bosch bij Beppie en Ton op bezoek voor het weekend en genoten van de verhalen van Ton, vaak over de oorlog, de muziek en het gezellige geklets van Beppie.

Het einde
Eind 1968 werd Wim ernstig ziek. Hij had pijn in de rug. Eerst dacht hij aan 'spit', maar na een uitvoerig onderzoek bleek dat hij kanker had. Hij kon nauwelijks meer lopen en lag maar in bed in zijn slaapkamer aan de Witteweg. Wimpie ging geregeld langs om te vragen hoe het met hem ging. Mama Jèchi ging praktisch elke dag naar de Santa Famia kerk om te bidden voor Wim. In januari kreeg Jèchi een brief van Norbert met het blijde nieuws dat hij waarschijnlijk binnen korte tijd naar Curaçao terug zou komen als hoofdredacteur bij de krant Amigoe. De Amigoe draaide niet zo geweldig en Norbert had het eigenlijk best naar zijn zin bij het Brabants Dagblad en in hun nieuwe huis in Hintham.

Voor het echter zover was, kreeg Norbert op een avond op zijn werk telefonisch het bericht dat Wim was overleden. Hij stierf om één uur 's middags. Jèchi was alleen met hem en Wimpie, die net naar huis was gegaan om te eten, was verrast door de snelle dood van Wim en ging meteen terug naar de Witteweg. Jèchi wilde de kinderen in Nederland bellen om hen het droeve nieuws te vertellen. Ze keek op de klok en zag dat deze stil stond, precies op één uur, het moment waarop Wim stierf. De kinderen in Nederland haalden het niet voor de uitvaart. Veel kennissen, goede vrienden en familie van Hendrikse en Snoek waren aanwezig. Het liefst had Wim een 'zeemansgraf' gehad in zee. Hij werd echter begraven op het Protestantse kerkhof aan de Roodeweg in de kelder die hij zelf had laten bouwen voor 'opoe Frou'. Gerda koos een gedicht van J. Slauerhoff, 'Het einde' met het volgende couplet:

Maar nu ik ver gevaren heb
En lag op de oceaan alleen,
Waar zelfs Da Cunha en Sint-Heleen
Niet boren door de kimmen heen,
Voel ik het trekken als een eb......

Familie uit Westkapelle
De familie van Willem Hendrikse kwam oorspronkelijk uit Westkapelle, Zeeland. Door diverse rampen in die regio, een grote brand bij de kerk in Westkapelle, overstromingen in 1945 en in 1953 en de Tweede wereldoorlog waren de archieven van Westkapelle voor een groot deel verloren gegaan. Heyndrick Cornelisse Hendrikse, de stamvader van de familie Hendrikse, werd geboren rond 1680. Hij had een relatie met Soetge Willems. Soetge is overleden op maandag 3 juli 1719 in Westkapelle. Daarna begon Heyndrick een relatie met Jannetje Huybrechts Stroodecker. Zij werd geboren op vrijdag 27 november 1682 in Westkapelle. Heyndrick overleed op maandag 29 september 1738 in Westkapelle.

Jonge Meisjes van Westkapelle Neeltje Huibregt Hendrikse werd geboren op dinsdag 5 januari 1773 in Westkapelle. Zij was ongehuwd en kreeg een relatie met een Franse militair. Daaruit werd een zoon geboren: Jan Bezo Hendrikse werd geboren op 16 augustus 1801 en trouwde met Apolonia Bosselaar. Zij hadden vier kinderen. Hun eerste zoon, Huibregt Hendrikse werd geboren in 1827. Hij trouwde op 29 april 1853 met Helena Roelse (geboren 17 april 1847) en hun eerste zoon, Leendert Hendrikse werd geboren op 16 september 1858. Leendert trouwde in 1883 met Elisabeth Baart (geboren 12 februari 1864 in Zuiddorpe) en het echtpaar kreeg negen kinderen. De jongste zoon was Willem Hendrikse, geboren in Vlissingen op 14 november 1898. Hij trouwde met Henriëtte Rosina Snoek op Curaçao en ze kregen zes kinderen: Willem, Rudolph, Gerda, Norbert, Elizabeth en Marie Céline

Bewogen geschiedenis van Westkapelle
Westkapelle is het meest westelijk gelegen dorp van Walcheren en wordt beschermd door een der grootste zeedijken van Nederland. In 694 landde de Engelse prediker Willebrord er, die naar men zegt, daar het beeld van Mercurius stuk sloeg. In 1514 kwam op het strand te Westkapelle het benedendeel van een aan Hercules Magusanus gewijd altaar tevoorschijn. Deze steen werd op last van Philips van Bourgondië in een pilaar in de kerk van Westkapelle ingemetseld. Nu bevindt de steen zich in het Zeeuws Museum te Middelburg.

In 810 voer een vloot Noormannen langs de kust om er te plunderen. Er werd (en wordt) beweerd dat de Westkappelaars van hen afstammen (wat niet juist is, hoewel de Noorse taal wel overeenkomsten heeft met het specifiek Westkappels dialect). Westkapelle, door scheepvaart en visserij een belangrijke handelsstad geworden, kreeg in 1223 van Graaf Floris IV stadsrechten, met dezelfde rechten als Middelburg.

In 1428 waren de duinen voor de stad haast verdwenen en daarmee ook de landingsplaats voor de schepen. De stad werd bedreigd door de zee, zodat men gedwongen was vele huizen en ook de kerk af te breken en meer landinwaarts weer op te bouwen. In 1453 werd Westkapelle door Graaf Philips van Bourgondië verkocht aan Hendrik van Borssele, waardoor het een heerlijkheid werd. De Heren van Westkapelle bezaten het ‘Huis te Westkapelle’, waarvan nu nog de ‘tuinmanswoningen’ Markt nr. 92, 94 en 96 restanten zijn. De kerk werd in 1458 afgebroken en aan de oostelijke zijde van de stad weer opgebouwd. Hij werd in 1470 voltooid en kreeg de naam Sint Willebrord. Hij toonde veel gelijkenis met de Nicolaaskerk in Brouwershaven op Schouwen-Duiveland.

De grootste ramp die de Nederlandse dijken ooit heeft getroffen was niet een grote storm, maar een klein diertje: de paalworm. In het jaar 1732 werd de worm gesignaleerd in de Zeeuwse wateren. Het dier vrat gangen door de houten palen waardoor die bij de eerste windvlaag afknapten als lucifershoutjes. Razend snel verspreidde de paalworm zich door Nederland. Een grote ramp die heel Nederland bedreigde. Men haalde de aangetaste palen weg, verwijderde de pakken wier, maakte de dijken glooiend en liet schuiten vol keien halen uit Oost Nederland. Pas in de 19de eeuw begon men voor de dijkverzwaring het ingevoerde vulkanische basalt te gebruiken dat in zeskantige blokken werd gehakt.

In 1784 waren de opstanden tussen Noord- en Zuid Nederland (Belgie) al begonnen. Nederland haalde de Fransen binnen zijn grenzen en in Westkapelle bleef het rumoerig. Op 10 febr. 1793 kregen de meeste bewoners inkwartiering van soldaten; deze kwamen voor een eventuele verdediging tegen de Fransen. Op 6 februari 1795 kwamen de eerste vijandige soldaten in Walcheren. In mei 1799 waren er in Westkapelle 2500 soldaten, met veel Fransen. In de laatste jaren van de bezetting van 1810 tot 1814 waren de inwoners zeer verbolgen over de vreemde overheersers. Er werden in die jaren nogal eens soldaten ‘vermist’, die nooit meer gezien werden. Later is wel uitgekomen waar deze gebleven zijn, toen men bij graafwerkzaamheden geraamten van soldaten vond.

In 1802 werd de kap van de toren gedeeltelijk gesloopt voor de installatie van een seintoestel. Napoleon legde beslag op alle kerktorens ten behoeve van zijn optische telegraafsystemen. Nederland beschikte over een eigen kusttelegraaf, die van groot belang was voor de Franse zeemacht. Op de toren werd in 1817 een kustlicht geplaatst voor de scheepvaart, wat mede de oorzaak was dat de kerk in de nacht van 14 op 15 maart 1831 afbrandde. Ook de toren brandde uit. De kerk werd niet meer herbouwd, maar de toren werd gerestaureerd en is nu nog als vuurtoren in gebruik. Het licht is tot ongeveer 40 km. zichtbaar. Uit de kerk stamt waarschijnlijk het stuk van een grafsteen die is ingemetseld in de muur tussen de panden 8 en 10 in d' Arke. Na de sloop van de kerk is de steen waarschijnlijk als bestrating gebruikt met het opschrift naar onderen. In de hoeken vinden we de symbolen waarmee evangelisten worden aangeduid, een stier en een leeuw. In 1540 begon men een inlaagdijk aan te leggen, die is uitgegroeid tot de huidige zeedijk. Hierdoor verplaatsten de koopvaardij en visserij zich naar Vlissingen; Westkapelle verarmde. De dijk, altijd een bron van zorg, werd nu de bron van inkomsten voor de beroepsbevolking, die daarna hoofdzakelijk uit dijkwerkers bestond. Zij vormden een gesloten gemeenschap, waar alleen Westkappelaars en hun kinderen deel van uit maakten. Bij veel stormschade hadden ze het goed, bij weinig deelden ze hun armoede. Hun kleding week af van de Walcherse boeren­dracht door het ontbreken van sieraden, zoals gouden knopen en broekstukken. Hun zondagse pak was net als hun dagelijkse kleding van pilo (half linnen, half katoen) gemaakt en niet van het duurdere laken. Bovendien hadden de petten geen sierrand en werden ze bij voorkeur scheef gedragen. Door hun werk aan de dijk in weer en wind zagen de Westkappelaars er ‘tanig’ verweerd uit.

Dijkwerkers schaften aan de zeedijk in Westkapelle De voorouders van de familie Hendrikse in Westkapelle waren meestal dijkwerkers. De opbouw van de Westkappelse beroepsbevolking laat zien dat in feite het grootste gedeelte van de arbeidende klasse zijn brood verdiende op en aan de dijk. In 1815 waren er van de beroeps-bevolking in Westkapelle Binnen van de in totaal 256 personen 199 dijkwerkers. Er werd gezegd ‘dat alle zonen van erkende dijkwerkers bij de aanvang van hun dertiende levensjaar als dijkwerker worden aangesteld. (L.V.Hollestelle ‘’Het stamboek van de Westkappelse dijkwerkers’’, in Spelerieë, NGV Afd. Zeeland 1992).

In 1944 heeft Westkapelle sterk te lijden gehad van oorlogsgeweld. Door het geallieerde bombardement op de zeedijk, waarvan het krekengebied een restant is, gevolgd door de landing, waaraan het landingsmonument op de dijk herinnert, werd tachtig procent van Westkapelle vernield en kwamen 180 mensen om. Bij de herbouw werd wel het oude stratenpatroon gehandhaafd. Door de veranderde manier van dijkonderhoud werken de meeste Westkappelaars elders, maar ze blijven toch graag op Westkapelle wonen.

Het leven in Vlissingen
De vader van Leendert Hendrikse, Huibregt Hendrikse (geboren in 1826) vertrok uit Westkapelle naar Vlissingen. Hij kreeg er een baantje als brugwachter aan de ‘Marinebrug’. Hij woonde in 1903 aan de Wijnbergsche kade K113 in Vlissingen. Vlissingen was de zusterstad van Middelburg, de hoofdstad van Zeeland. Vlissingen kreeg al in 1315 van graaf Willem III stadsrechten. In de vijftiende eeuw groeide de economische aktiviteiten door de haringhandel en de vrachtvaart. Het stadhuis is in 1594 op de Grote Markt naar het model van het Antwerpse gebouwd. De vruchtbare gesteldheid van de Zeeuwse eilanden bevorderde er landbouw en veeteelt. Zeeland werd het eerste gebied in de Nederlanden dat bij uistek geschikt was voor de graanbouw en in het algemeen voor de akkerbouw. De Zeeuwse tarwe stond al in de Middeleeuwen bekend als de beste uit deze landen: Guiccianrdini schrijft omstreeks het midden van de zestiende eeuw, ,i>‘maer besonderlijck wordt hier het schoonste, edelste ende beste koren ghewonnen, dat men schier met ooghen moch aensien, soo dattet rijs schijnt te wesen’,/i>.

Nieuwendijk, Vlissingen (1915) Ook hier vestigden zich sinds de tweede helft van de zestiende eeuw vele ondernemende kooplieden uit de Zuidelijke Nederlanden, o.a. Jan Lampsins uit Oostende. Adriaan en Cornelis Lampsin waren rijke kooplieden uit Vlissingen. Ze hadden meerdere grote handelsschepen. Adriaan was een van de direkteuren van de W.I.C. Zijn zoon Cornelis was burgemeester van Vlissingen in 1652. Zowel in rijkdom als in aanzien stonden de families Lampsins en de regentenfamilies Imans, de Lamprecht, de Huybrechts, de Schorer, de Ingels en De Maechts bovenaan. (Huybregt Huybrechtse, geboren rond 1620, gehuwd met Maria Maartens De Kock, was rond 1650 burgemeester van Westkapelle). Tussen 1609 en 1613 werden de haven en de stad flink uitgebreid, waardoor nieuwe scheepstimmerwerven en lijnbanen konden ontstaan. Zowel in de O.I.C. als de W.I.C. was Vlissingen vertegenwoordigd en in 1617 trad zij tot de Noordse Compagnie toe, nadat al eerder twee Vlissingse rederijen de walvisvangst in het Noorden hadden uitgeoefend. Vooral de kaapvaart, de ‘vije nerighe’ genoemd, bracht welvaart onder de vlottende bevolking. Talloze Zeeuwse schepen trokken naar de Caribische eilanden o.a. naar Bonaire, Curaçao en de Bovenwinden. Niet minder dan 3500 manschappen waren nodig om de vloot van kaperschepen, die Vlissingen in zee kon brengen, te bevolken. Uit dit ruwe volkje, versterkt door vissers en boeren van Westkapelle kwamen scheepsbevelhebbers en zeekapiteins voort zoals Jan Evertsen (zoon van Evert Heindricksen), Maerten Thijssen en Michiel de Ruyter.

In de periode tussen 1867 tot 1940 veranderde er veel in Vlissingen. Mede door de afdamming van Het Sloe moesten er twee kanalen worden gegraven: Het Kanaal door Zuid-Beveland en het Kanaal door Walcheren. Dit op dringend verzoek van de zuiderburen. Met het graven van het Kanaal door Walcheren werden er ook twee binnenhavens, sluiswerken en een buitenhaven aangelegd. Vlissingen kreeg bovendien een spoorverbinding met Bergen op Zoom. En vanwege de opheffing van de vesting waren de vestingwerken niet meer nodig en kon Vlissingen zich buiten de vesting gaan uitbreiden.

Direct na de ingebruikname van de havens vestigde in 1875 scheepswerf 'De Schelde' zich in Vlissingen op de terreinen van de voormalige Marinewerf en in de buitenhaven vestigde zich de Stoomvaartmaatschappij 'Zeeland' met de verbinding naar Engeland. Vlissingen kon de toekomst weer met vertrouwen tegemoet zien. Het inwonertal in de periode 1875-1900 verdubbelde naar bijna 19.000. Hierdoor ontstond een enorm huisvestingsprobleem.

Toerisme
Ook op het gebied van het toerisme ging Vlissingen een belangrijke rol spelen. Ten westen van de stedelijke bebouwing beschikte de stad al over prachtige zuiderstranden en in navolging van badplaatsen zoals Scheveningen en Blankenberge wilde ook Vlissingen van deze natuurlijke omstandigheden gebruikmaken. Dit kende een aarzelend begin in 1872 met een badpaviljoentje maar al snel begon het meer allure te krijgen. Zeker toen het Grand Hotel des Bains in 1886 werd opgericht (het latere 'Britannia'). De directie van dit hotel eiste dat er een verbinding werd aangelegd tussen de stad en de badplaats: de Badhuisstraat. Dit alles leidde tot een stroomversnelling. De Boulevards begonnen zich te ontwikkelen en elders schoten complete woonwijken (met arbeiderswoningen) als paddestoelen uit de grond. De eerste arbeiderswijk was die bij het Groot Arsenaal: De Tachtig Plagen. Daarna volgden het Oranjekwartier en het Eiland en ten noorden van de oude vesting verrees woningbouw aan de Aagje Dekenstraat, Glacisstraat en Badhuisstraat.

Uitbreidingsplannen
Deze enorme komst van nieuwe woningen vereiste echter een gestructureerde aanpak. Er moest een uitbreidingsplan door de gemeenteraad worden vastgesteld om alles in goede banen te leiden. In 1907 was het zover. Grofweg werd Vlissingen in drie delen gesplitst. De oostzijde kreeg de bestemming haven en industrie, de middensectie de bestemming wonen (voor de arbeider) en de westzijde de bestemming wonen in een parkachtige omgeving (voor de beter gesitueerden). Bovendien kreeg de binnenstad een ander aanzien door het dempen van de Koopmanshaven, Achterhaven en de Pottehaven, hetgeen los stond van het uitbreidingsplan maar meer het gevolg was van de overstroming in 1906. Vlissingen veranderde in korte tijd enorm. De woningbouwverenigingen VVV, Gemeenschappelijk Belang en Goed Wonen waren goed voor de invulling van complete woonwijken.

Onder de bezielende leiding van burgemeester Van Woelderen begon de stad steeds meer allure te krijgen. Er kwam een vliegveld, een pier, het Nollebos. Zijn Vlissingse Trias: Haven, Industrie en Badplaats moest worden gerealiseerd. Er moest een nieuw stadshart worden gerealiseerd met een nieuw stadhuis, winkels, een schouwburg en kantoren tegenover de HBS. Hij had plannen in overvloed om Vlissingen ook toeristisch gezien nog meer op de kaart te zetten met een invulling van het park- en duingebied tot aan de Vijgheter. In de 30-er jaren moest het uitbreidingsplan weer nodig worden bijgesteld. Een probleem vormde het vliegveld langs het Kanaal door Walcheren waardoor er in de directe omgeving geen bebouwing mogelijk was.